Grammatica

1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Samen Lezen (verhaal lezen)





User

Slide 2 - Tekstslide

Samen Lezen
De grote stunt van Philippe Petit




Natuurlijk, hier zijn de antwoorden:

Hij ging gisteren naar school.
Ze leest vaak interessante boeken.
Je houdt van klassieke muziek.
Zij speelt graag met haar vrienden.
We gaan morgen naar het museum.
Hij moet morgen niet werken.
Zij heeft een mooie collectie schilderijen.
Ik ga op de bank televisie kijken.



User

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Wat gaan we leren?
-lange en korte klanken (A4)
-hoe spel je die?

Slide 12 - Tekstslide

Voorbeelden:
Lange klank                                            Korte klank

Slide 13 - Tekstslide

Zoek de lange en korte klank op
Lange klank                                               Korte klank

Slide 14 - Tekstslide

Meervoud

NT2 - A1 

Slide 15 - Tekstslide

Woorden met 2 medeklinkers 
Woorden met 2 medeklinkers op het einde, krijgen -en
De docent -  Twee docenten
De cursist - Tien cursisten
Het woordTwintig woorden
De punt - Twee punten

Slide 16 - Tekstslide

 oe-ui-eu-ei-ie-ij- ou- au
Woorden met tweetekenklank + medeklinker: + en

De stoel - Drie stoelen
De tuin - Twee tuinen
De zoen - Drie zoenen


Slide 17 - Tekstslide

Woorden met a, e, o, u, i 
Woorden met korte klank a, e, o, u, i en 1 medeklinker? 
In meervoud 2 medeklinkers + en 
Kijk goed:
De zin (i = korte klank) Drie zinnen
De klas (a = korte klank) Vier klassen
De juf (u = korte klank) Twee juffen
Het bos  (o = korte klank) De bossen


Slide 18 - Tekstslide

Woorden met aa, ee, oo, uu
Woorden met lange klank aa, ee, oo, uu en 1 medeklinker worden in het meervoud a, e, o, u. Je hoort wél lange klank.

Het raam (aa = lang) - De ramen
Het been (ee = lang) - De benen
Het brood (oo = lang) - De broden
De muur (uu = lang) - De muren        

Slide 19 - Tekstslide

Na e, -el, -em, -en, -er, –ie: –s
Na e, - el, -em, -er en –ie komt in het in het meervoud –s. 
Het kopje (kort) - De kopjes (meisje – meisjes)
De tafel - De tafels
De bezem - De bezems
De jongen -  De jongens
De letter - De letters
De vakantie - De vakanties         


Slide 20 - Tekstslide

F->V en S->Z
Let op:
De brief – twee brieven
De golf – twee golven
De roos – twee rozen
Het huis – twee huizen
De f wordt in het meervoud een v.
De s wordt in het meervoud een z.     


Slide 21 - Tekstslide

Na –a, -i, -o, -u en –y: 's
Na –a, -i, -o, -u en –y op het einde is het meervoud ‘s (komma S).
De opa (lang) - De opa’s
De taxi - De taxi’s
De auto - De auto’s
De paraplu - De paraplu’s
De baby - De baby’s


Slide 22 - Tekstslide

Wat is goed?
A
drie kloken
B
drie kloks
C
drie klokken
D
drie kloke

Slide 23 - Quizvraag

Wat is goed?
A
twee krante
B
twee krants
C
twee krantten
D
twee kranten

Slide 24 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Ik lust wel twee ijsjes.
B
Ik lust wel twee ijsje.
C
Ik lust wel twee ijsjen.
D
Ik lust wel twee ijssjes.

Slide 25 - Quizvraag

Wat is goed?
A
5 paprikas
B
5 paprikaas
C
5 paprika
D
5 paprika's

Slide 26 - Quizvraag


A
boodschapen doen
B
boodschap doen
C
boodschappen doen
D
boodschaps doen

Slide 27 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Een hond loopt op 4 pooten.
B
Een hond loopt op 4 poot.
C
Een hond loopt op 4 poten.
D
Een hond loopt op 4 pootten.

Slide 28 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Ik heb 2 benen.
B
Ik heb 2 bene.
C
Ik heb 2 beenen.
D
Ik heb 2 been.

Slide 29 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Dat zijn 2 lieve babies.
B
Dat zijn 2 lieve baby's.
C
Dat zijn 2 lieve babys.
D
Dat zijn 2 lieve babie.

Slide 30 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Op isk zijn veel juffen.
B
Op isk zijn veel jufs.
C
Op isk zijn veel jufen.
D
Op isk zijn veel juf.

Slide 31 - Quizvraag

Wat is goed?
A
Ik hou van paard.
B
Ik hou van paarde.
C
Ik hou van paards.
D
Ik hou van paarden.

Slide 32 - Quizvraag

Aan de slag
-maak de oefeningen (oefentoets)
*spellingoefenen.nl (magister)
*taaloefenen.nl (magister)
*Disk 4.1 Grammatica

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Link

Slide 35 - Link

Huiswerk oefenen
spellingoefenen.nl
(magister)

Slide 36 - Tekstslide

Peter leest een boek op school.
Peter leest een boek.
Wie? Peter
Wat doet hij? Leest een boek
Waar?  Op school Wanneer?..........

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Video

Aan de slag
-maak de oefentoets (bespreken)
-Eenvoudige grammatica
-Schrijven in Nederland
-Disk werkwoorden
-taalmenu verhaaltjes


Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Video

Slide 41 - Tekstslide