NT2 GRAMMATICA Scheidbare werkwoorden

Scheidbaar werkwoord


Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Scheidbaar werkwoord


Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!

Slide 1 - Tekstslide

Programma:


  • leren wat scheidbare werkwoorden zijn
  • Zinnen maken met scheidbare werkwoorden

Slide 2 - Tekstslide

Doel:

Na deze les:
  • herken ik meer scheidbare werkwoorden
  • weet ik hoe ik zinnen maak met scheidbare werkwoorden.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

verleden tijd
voltooid verleden tijd
gebiedende wijs
tegenwoordige tijd

Slide 5 - Tekstslide

Gescheiden
een werkwoord dat uit 2 delen bestaat:
schoon + maken = schoonmaken
aan + komen = aankomen
Je schrijft eerst het werkwoord en het 2e deel van het werkwoord op het einde van de zin:
Ik maak morgen schoon.
De trein komt morgen aan.

Slide 6 - Tekstslide

Zin met 2 werkwoorden?
Staan er 2 werkwoorden in de zin? Dan is het scheidbare werkwoord aan elkaar. Dat staat altijd achteraan:

Ik ga de keuken schoonmaken.
De trein zal om 10 uur aankomen.

Slide 7 - Tekstslide

Twee werkwoorden
Staan er twee werkwoorden in de zin? Dan schrijf je het scheidbare werkwoord als één woord. Het scheidbare werkwoord staat op de laatste plaats in de zin. 



Slide 8 - Tekstslide

Het scheidbare werkwoord

Deze hond vindt het niet leuk dat we hem uitlachen!

uitlachen      =   lachen  +  uit

scheidbaar             werkwoord + voorzetsel
werkwoord

Slide 9 - Tekstslide

Ik maak het eten klaar!

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:20
A
B
maken
C
klaar
D
klaarmaken

Slide 10 - Quizvraag

Ik ben opgegroeid in een dorp!

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:20
A
groeien
B
voor galg en rad
C
opgroeien

Slide 11 - Quizvraag

Jullie staan om acht uur op.

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:10
A
jullie
B
opstaan
C
staan
D
op

Slide 12 - Quizvraag

Ik maak de keuken schoon.

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:10
A
schoonmaken
B
maken
C
schoon
D
ik

Slide 13 - Quizvraag

Ik trek mijn nieuwe jas aan.

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:10
A
trekken
B
maken
C
aantrekken
D
mijn nieuwe jas

Slide 14 - Quizvraag

Jij stuurt de spullen op.

Wat is het scheidbare werkwoord?
timer
0:10
A
sturen
B
stuurt
C
opsturen
D
de spullen

Slide 15 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
over - steekt - het kind - de weg
timer
0:10
A
Over de weg steekt het kind.
B
De weg steekt over het kind.
C
Het kind over steekt de weg.
D
Het kind steekt de weg over.

Slide 16 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
mee - brood - jij - breng - ?
timer
0:10
A
Breng jij mee brood?
B
Breng jij brood mee?
C
Jij brengt mee brood?
D
Jij brengt brood mee

Slide 17 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
moet - ik - opladen - mijn telefoon
timer
0:10
A
Ik moet mijn telefoon opladen.
B
Moet ik laad mijn telefoon op.
C
Mijn telefoon ik moet opladen.
D
Ik laad mijn telefoon op.

Slide 18 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
morgen - weg - ik - ga
timer
0:10
A
Morgen ga ik weg.
B
Ik ga weg morgen.
C
Ik ga morgen weg.
D
Morgen ik ga weg.

Slide 19 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
aan - mijn zus - haar kleren -doet
timer
0:10
A
Haar kleren doet mijn zus aan.
B
Mijn zus aandoet haar kleren.
C
Mijn zus doet aan haar kleren.
D
Mijn zus doet haar kleren aan.

Slide 20 - Quizvraag

Maak een zin met de woorden:
moet - mijn pakket - ik - opsturen -morgen
timer
0:10
A
Ik moet opsturen mijn pakket morgen.
B
Ik moet morgen mijn pakket opsturen.
C
Ik moet mijn pakket morgen opsturen.
D
Mijn pakket ik moet morgen opsturen.

Slide 21 - Quizvraag

Maak een zin met:
mag - uitleggen

Slide 22 - Open vraag

Maak een zin met:
moet - opladen

Slide 23 - Open vraag

Maak een zin met:
wil opeten

Slide 24 - Open vraag

Maak een zin met:
aantrekken

Slide 25 - Open vraag

Maak een zin met:
instappen

Slide 26 - Open vraag

Maak een zin met:
gaan - schoonmaken

Slide 27 - Open vraag

Maak een zin met:
uitleggen

Slide 28 - Open vraag

Maak een zin met:
omdraaien

Slide 29 - Open vraag

Maak een zin met:
moeten afbellen

Slide 30 - Open vraag

timer
1:00
Schrijf 3 andere scheidbare
werkwoorden die je kent

Slide 31 - Woordweb

Ik ........ een briefje voor mijn docent ..... (ophangen)
timer
1:00

Slide 32 - Open vraag

Zij ....... haar kamer vanavond ......
(opruimen)
timer
1:00

Slide 33 - Open vraag

Ik ....... mijn vriend ......
(ophalen)
timer
1:00

Slide 34 - Open vraag

Mohamed ....... de les uit het boek ......
(overschrijven)
timer
1:00

Slide 35 - Open vraag

Maak zoveel mogelijk nieuwe werkwoorden
timer
1:00
passen
schuiven
drinken
pakken
nemen
bellen
maken
in
op
aan
af
uit
voor

Slide 36 - Sleepvraag

Doel:

Na deze les:
  • herken ik meer scheidbare werkwoorden
  • weet ik hoe ik zinnen maak met scheidbare werkwoorden.

Slide 37 - Tekstslide


Herken en gebruik jij scheidbare werkwoorden?
0100

Slide 38 - Poll





Hard gewerkt!

Goed gedaan!

Slide 39 - Tekstslide