1. De volgende vragen kan je beantwoorden wanneer je jouw verhaal leest:
wie speelt er in het verhaal,
waar speelt het verhaal zich af,
wat gebeurt er in het verhaal?
2. Nieuwe zinnen beginnen met een hoofdletter.
3. Je verhaal heeft minstens 1 luchtwoord en een plankwoord in het verhaal zitten.
4. Je verhaal bestaat uit minstens 15 zinnen.