Paragraaf 5.4 Wat houd je over?

Week 16 (vanaf 17 april)
Pincode Hoofdstuk 5. Wat levert het op?
  1. Koop jij op de markt?
  2. Wat wordt de prijs?
  3. Belasting op shoppen?
  4. Wat houd je over?
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Week 16 (vanaf 17 april)
Pincode Hoofdstuk 5. Wat levert het op?
  1. Koop jij op de markt?
  2. Wat wordt de prijs?
  3. Belasting op shoppen?
  4. Wat houd je over?

Slide 1 - Tekstslide

Opgave 48 (BTW)
a.  Je bent jarig en haalt een taart en een fles cola voor je bezoek. De verkoopprijs van de taart is € 9,80 exclusief BTW. De BTW is 9%. Bereken de consumentenprijs van de taart.
  • BTW = 9% x € 9,80 = € 9,80 ÷ 100 x 9 = € 0,89
  • consumentenprijs = verkoopprijs + BTW
  • consumentenprijs = € 9,80 + € 0,89 = € 10,69
b. Voor de cola betaal je € 1,99. De prijs excl. btw is € 1,88. Welk bedrag betaal je aan btw?
  • BTW = consumentenprijs (incl. BTW) - verkoopprijs (excl. BTW)
  • BTW = € 1,99 ‒ € 1,88 = € 0,11
c. Bereken de BTW in procenten van de prijs exclusief btw.
  • BTW-percentage = deel ÷ geheel x 100
  • BTW-percentage = € 0,11 ÷ € 1,88 × 100 = 5,9%

Slide 2 - Tekstslide

Opgave 51 (terugrekenen BTW)
De consumentenprijs van een doos koekjes is € 1,59. De BTW is 9%.

a. Bereken de verkoopprijs exclusief BTW.
  • verkoopprijs (excl. BTW) + BTW (9%) = consumentenprijs (incl. BTW)
  •                     100%                    +         9%       =                          109%
  • 1% = € 1,59 ÷ 109 = € 0,0145… (nog niet afronden)
  • de prijs exclusief BTW = 100 × € 0,0145… = € 1,46
b. Bereken hoeveel je aan BTW betaalt als je deze koekjes koopt.
  • 1% = € 1,59 ÷ 109 = € 0,0145… (nog niet afronden)
  • de BTW is 9 × € 0,0145… = € 0,13

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen H5. Wat levert het op?
Kleuren:
rood ik weet nog weinig tot niets van dit leerdoel
oranje ik beheers dit leerdoel nog onvoldoende, maar weet er al wel iets van
groen ik beheers dit leerdoel voldoende
blauw ik beheers dit leerdoel goed zodat ik het een ander kan uitleggen

Slide 4 - Tekstslide

Brutowinst
Het totale bedrag dat een winkel betaalt voor de inkoop van producten, noem je de inkoopwaarde (afzet x inkoopprijs). De omzet (afzet x verkoopprijs) is de opbrengst van de verkoop. De brutowinst is de omzet (afzet x verkoopprijs) - inkoopwaarde (afzet x inkoopprijs).

Formule: brutowinst = omzet – inkoopwaarde

Opdracht:
Je hebt in een week € 1.500 omzet behaald. De inkoopwaarde was € 850. Bereken de brutowinst.
  • brutowinst = omzet - inkoopwaarde
  • brutowinst = € 1.500 – € 850 = € 650


Slide 5 - Tekstslide

Nettowinst
De kosten die een winkel moet maken om te functioneren noem je bedrijfskosten, zoals: huur (van het pand), loon (aan werknemers), verzekeringen, elektriciteit, reclamekosten, enzovoort. De nettowinst is de brutowinst - bedrijfskosten.

Formule: nettowinst = brutowinst – bedrijfskosten

Opdracht:
Je brutowinst is in een week € 650. Je hebt € 350 bedrijfskosten. Bereken je nettowinst.
  • nettowinst = brutowinst - bedrijfskosten
  • nettowinst = € 650 – € 350 = € 300


Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Bruto- en nettowinst

Slide 8 - Tekstslide

Bruto- en nettowinst
Stel je verkoop 80 broeken voor € 45. De inkoopprijs is van deze broeken is € 25 en je bedrijfskosten zijn € 90. Bereken je nettowinst.
 
  • omzet                         (afzet x verkoopprijs)         80 × € 45 = € 3600
  • - inkoopwaarde      (afzet x inkoopprijs)            80 × € 25 = € 2000
  • brutowinst                                                                                              € 1600
  • - bedrijfskosten                                                                                    €  900
  • nettowinst                                                                                              €  700



Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Je verkoopt 20 paar schoenen voor € 49.
De inkoopprijs was € 32 per paar.
De bedrijfskosten zijn € 80.
Hoeveel is je afzet?
A
20
B
€ 640
C
€ 900
D
€ 980

Slide 11 - Quizvraag

Je verkoopt 20 paar schoenen voor € 49.
De inkoopprijs was € 32 per paar.
De bedrijfskosten zijn € 80.
Hoeveel is je omzet?
A
€ 340
B
€ 640
C
€ 900
D
€ 980

Slide 12 - Quizvraag

Je verkoopt 20 paar schoenen voor € 49.
De inkoopprijs was € 32 per paar.
De bedrijfskosten zijn € 80.
Hoeveel is je brutowinst?
A
€ 170
B
€ 200
C
€ 340
D
€ 410

Slide 13 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van bedrijfskosten?
A
afzet
B
huur
C
inkoopwaarde
D
omzet

Slide 14 - Quizvraag

Je verkoopt 20 paar schoenen voor € 49.
De inkoopprijs was € 32 per paar.
De bedrijfskosten zijn € 80.
Hoeveel is je nettowinst?
A
€ 170
B
€ 260
C
€ 290
D
€ 340

Slide 15 - Quizvraag

Leerdoelen H5 Wat levert het op?
Kleuren:
rood ik weet nog weinig tot niets van dit leerdoel
oranje ik beheers dit leerdoel nog onvoldoende, maar weet er al wel iets van
groen ik beheers dit leerdoel voldoende
blauw ik beheers dit leerdoel goed zodat ik het een ander kan uitleggen

Slide 16 - Tekstslide

Maakwerk voor de volgende keer



Paragraaf 5.4 Wat houd je over?
  • opgaven 53 t/m 66 online maken

Slide 17 - Tekstslide

Opgave 65 (nettowinst)
In het schema staan de resultaten van Boekhandel de Boekenschuur. Bereken:
(1) de brutowinst,
(2) de bedrijfskosten en
(3) de nettowinst.


  • (1) brutowinst = omzet ‒ inkoopwaarde
  • (1) brutowinst = € 54.500 ‒ € 28.500 = € 26.000
  • (2) bedrijfskosten zijn € 2.100 + € 750 + € 600 + € 8.200 = € 11.650
  • (3) nettowinst = brutowinst ‒ bedrijfskosten
  • (3) nettowinst = € 26.000 ‒ € 11.650 = € 14.350

Slide 18 - Tekstslide

Opgave 57 (brutowinst)
Met de verkoop van kleding heb je deze week een omzet behaald van € 6.843. De kleding heb je ingekocht voor € 4.140.

a. Bereken je brutowinst.
  • brutowinst = omzet ‒ inkoopwaarde
  • brutowinst = € 6.843 ‒ € 4.140 = € 2.703

b. Met de verkoop van accessoires heb je een omzet van € 1.190 behaald. Dat leverde een brutowinst op van € 720. Bereken wat de inkoopwaarde van deze accessoires was.
  • inkoopwaarde = omzet - brutowinst
  • inkoopwaarde = € 1.190 ‒ € 720 = € 470

Slide 19 - Tekstslide

Minimale toetsvoorbereiding
  • nadat je alle opgaven de afgelopen weken gemaakt en gecontroleerd hebt
  • leer de de formules op pagina 135 (verkoopprijs), 136 (omzet), 140 (consumentenprijs), 141 (prijs exclusief BTW), 143 (brutowinst) en 144 (nettowinst)
  • leer de samenvatting op pagina 146
  • leer de begrippen op pagina 147
  • maak de rekenopdrachten online
  • maak de oefentoets online
  • doe nog een aantal herhalingsopdrachten op pagina 150/151 (minimaal 2 per paragraaf)
  • doorloop nogmaals de LessonUps die we in de lessen behandeld hebben (zie Som)
  • controleer tenslotte met de leerdoelen in GPL paragraaf 5.1 t/m 5.4 op www.lauwerscollege.ldgo.nl of je de stof voldoende kent en begrijpt

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide