Loopbaanleren: wie ben ik?

Loopbaanleren: wie ben ik?

1 / 45
volgende
Slide 1: Slide
newEditorLOBPraktijkonderwijsLeerjaar 2

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Loopbaanleren: wie ben ik?

Open eenvoudig en dichtbij: school gaat niet alleen over vakken, maar ook over ontdekken wat bij je past voor later.

Dit ga ik leren

Ik kan uitleggen wat loopbaanleren is en waarom we dit op school doen

Ik snap waarom kijken naar mijn kwaliteiten en talenten mij helpt om te ontdekken wat bij mij past.

Deze slide heeft geen instructies

Loopbaanleren - wat is dat?

JE LEERT NADENKEN OVER JOUW TOEKOMST
KEUZES MAKEN VOOR STAGE, WERK, OPLEIDING

Je kijkt naar drie dingen:

  • Wie ben ik?

  • Wat kan ik?

  • Wat wil ik?


Daarna kijk je ook:

  • Wie kan mij helpen?

  • Hoe zet ik een volgende stap?

Deze slide sluit aan bij het loopbaanwiel uit de bijlage.

Aan welke woorden denk jij bij jouw toekomst?

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

Waarom doen we loopbaanleren op school?

A

Om jezelf te kennen

B

Om meer huiswerk te krijgen

C

Om sneller klaar te zijn

D

Om cijfers te vervangen

Toetst het doel van de eerste uitlegslides: jezelf leren kennen en later beter keuzes maken.

Maak de samenvatting compleet

Bij loopbaanleren denk je na over je toekomst. Op school leer je ook jezelf beter kennen. Je kijkt naar wat je kunt en wat bij je past. Daarna kun je beter kiezen voor later.

toekomst
kennen
past
kiezen
werk
vergeten
moeilijk
rennen

Woorden komen rechtstreeks uit de eerste inhoudsblokslides.

1. Wat zijn jouw kwaliteiten?

Je denkt na over:

  • waar je goed in bent

  • wat goed gaat bij jou

  • welke talenten je hebt

  • wat anderen vinden dat jij goed kunt

Deze slide heeft geen instructies

Kwaliteitenreflectie

Nadenken over jouw kwaliteiten en talenten


Deze slide heeft geen instructies

Hoe was jullie weekend?

Open eenvoudig en dichtbij: school gaat niet alleen over vakken, maar ook over ontdekken wat bij je past voor later.

Kwaliteitenreflectie

Deze slide heeft geen instructies

  1. Wat vind jij leuk om te doen? Kies 2 dingen

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

  1. Waar ben je goed in? Kies drie kwaliteiten

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

  1. Ik laat mijn kwaliteit zien als ik......

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

2. Waar word jij enthousiast van?

Je denkt na over:

  • wat jij belangrijk vindt

  • waar je blij van wordt

  • wat jou energie geeft

  • wat jij graag doet

Deze slide heeft geen instructies

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Werkexploratie = waar ben ik op mijn plek

Je onderzoekt:

  • welke beroepen er zijn

  • welke beroepssectoren er zijn

  • wat past bij mij

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Beroep:

  • Een beroep is werk dat je doet om geld te verdienen

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Wat is geen beroep?

A

Kok

B

Oma helpen in de tuin

C

Stratenmaker

D

Dokter

Controleert of leerlingen de vijf loopbaancompetenties uit elkaar houden.

Beroepssectoren

  • Een beroepssector is een groep beroepen die bij elkaar horen.

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Noem zoveel mogelijk beroepen

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

Beroepssectoren

  • Wat betekent een beroep?

  • Wat betekent beroepssector?

  • Welke beroepssectoren zijn er allemaal

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Gebruik eenvoudige voorbeelden uit stage, praktijkvakken of beroepen die leerlingen kennen.

Noem zoveel mogelijk beroepssectoren

Gebruik de woorden als start: koppel terug naar toekomst, keuzes, werk, school en ontdekken wie je bent.

4. Loopbaansturing

Je leert:

  • doelen kiezen

  • kleine stappen zetten

  • plannen maken

  • bijsturen als iets niet past

Leg uit dat loopbaansturing niet groot hoeft te zijn: ook 'ik ga vragen of ik mee mag kijken' is een stap.

5. Netwerken

Je hoeft het niet alleen te doen.


Je kunt hulp krijgen van:

  • ouders of verzorgers

  • docenten

  • stagebegeleiders

  • mensen uit werk of opleiding

Maak netwerken klein en veilig: het betekent vooral praten met mensen die je iets kunnen laten zien of uitleggen.

Vul de woorden in

Bij kwaliteitenreflectie denk je na over waar je goed in bent. Bij motievenreflectie denk je na over wat jij belangrijk vindt. Bij werkexploratie onderzoek je welke taken en soorten werk er zijn. Bij netwerken vraag je hulp aan andere mensen.

motievenreflectie
werkexploratie
netwerken
loopbaansturing
toekomst
energie
school

Drie kernbegrippen uit het blok over de vijf loopbaancompetenties.

Inzoomen: kwaliteitenreflectie

Kwaliteitenreflectie gaat over jouw sterke kanten.


Je kijkt niet alleen naar schoolcijfers, maar ook naar wat jij handig, slim of goed aanpakt.

Benadruk dat kwaliteiten ook zichtbaar zijn in gedrag, samenwerken, doorzetten of netjes werken.

Wat zijn kwaliteiten?

Kwaliteiten zijn dingen die bij jou passen en die je goed kunt.


Voorbeelden:

  • goed luisteren

  • rustig blijven

  • netjes werken

  • handig zijn met je handen

  • goed samenwerken

Maak onderscheid tussen 'iets leuk vinden' en 'ergens goed in zijn'; dat komt later samen, maar is niet hetzelfde.

Zo ontdek je je kwaliteiten

Let op momenten waarop jij:

  • iets snel begrijpt

  • iets goed afmaakt

  • complimenten krijgt

  • anderen helpt

  • trots bent op jezelf

Vraag eventueel mondeling om voorbeelden uit stage, praktijkles, sport of thuis, zonder er een opdracht van te maken op de slide.

Kwaliteiten zie je in gedrag

Op tijd zijn kan laten zien dat je betrouwbaar bent.

Doorzetten kan laten zien dat je niet snel opgeeft.

Goed helpen kan laten zien dat je sociaal bent.


Achter gedrag zit vaak een kwaliteit.

Deze vertaalslag helpt leerlingen die hun kwaliteiten nog niet in woorden kunnen noemen.

Waarom is dit belangrijk?

Als je weet waar je goed in bent:

  • krijg je meer zelfkennis

  • kun je beter keuzes maken

  • kun je uitleggen wat bij jou past

  • zie je sneller welk werk kan passen

Deze slide heeft geen instructies

Noem één kwaliteit van jezelf.

Bespreek antwoorden zoals: goed luisteren, netjes werken, op tijd zijn, helpen, doorzetten, rustig blijven. Het gaat om gedrag dat een kwaliteit laat zien.

Wat kan op tijd zijn laten zien?

A

Sociaal zijn

B

Betrouwbaar zijn

C

Druk zijn

D

Nieuwsgierig zijn

Sluit aan bij de slide 'Kwaliteiten zie je in gedrag'.

Waar zie jij jouw kwaliteiten het vaakst?

1

In de les

2

Op stage

3

Thuis

4

Bij sport

Deze slide heeft geen instructies

Inzoomen: motievenreflectie

Motievenreflectie gaat over wat jij belangrijk en leuk vindt.


Het gaat om de vraag: waar krijg ik energie van?

Leg uit dat motieven niet alleen over hobby's gaan, maar ook over hoe en waarom iemand graag werkt.

Wat zijn motieven?

Motieven zijn redenen waarom iets bij jou past.


Voorbeelden:

  • graag met mensen werken

  • iets willen maken

  • anderen willen helpen

  • rust fijn vinden

  • afwisseling belangrijk vinden

Deze slide heeft geen instructies

Wat geeft jou energie?

Denk aan momenten waarop jij:

  • enthousiast bent

  • de tijd vergeet

  • graag meedoet

  • benieuwd bent naar meer

  • met plezier terugkijkt

Sommige leerlingen herkennen energie beter dan 'motivatie'. Gebruik beide woorden kort als nodig, maar houd 'energie' als hoofdterm op de slide.

Motieven verschillen per persoon

De één houdt van:

  • actie en bewegen


De ander houdt van:

  • rust en overzicht


Allebei kunnen goed zijn. Het gaat om wat bij jou past.

Voorkom waardeoordeel: geen motief is beter dan een ander.

Kwaliteiten en motieven samen

Een goede richting past vaak bij twee dingen:

  • je kunt het redelijk goed

  • je wordt er enthousiast van


Dan is de kans groter dat iets bij je past.

Maak duidelijk dat passend werk niet perfect hoeft te zijn; het gaat om een goede match, niet om één ideale baan.

Waar gaat motievenreflectie vooral over?

A

Wat je vergeet

B

Wat je leuk vindt

C

Wie je kent

D

Waar je woont

Kern van dit blok: wat geeft jou energie en wat vind jij belangrijk.

Maak de tekst compleet

Motieven zijn redenen waarom iets bij jou past. Je denkt na over wat jou energie geeft. Een goede richting past vaak bij wat je kunt en waar je enthousiast van wordt.

past
energie
kunt
wordt
ziet
stilte
moet
kent

Herhaalt de kernzin van de laatste slides: kunnen én enthousiast worden.

Waar krijg jij energie van?

Bespreek antwoorden als: helpen, maken, bewegen, rust, samenwerken, afwisseling. Laat leerlingen koppelen aan wat energie geeft.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen in eigen woorden terugkijken op de les. Voorbeelden: kwaliteiten, motieven, keuzes maken, hulp vragen.

Wat hielp jou het meest?

Metacognitieve afsluiting. Mogelijke antwoorden: voorbeelden, uitleg, eigen situaties, praten met klasgenoten.

Woordenlijst

loopbaanleren - leren nadenken over jezelf, je toekomst en passende keuzes

loopbaancompetenties - vaardigheden om goede keuzes voor school en werk te leren maken

kwaliteitenreflectie - nadenken over waar je goed in bent

motievenreflectie - nadenken over wat jij belangrijk, leuk en passend vindt

werkexploratie - onderzoeken welk werk en welke taken er zijn

loopbaansturing - doelen kiezen en stappen zetten

netwerken - hulp en informatie vragen aan andere mensen

Deze slide heeft geen instructies