Motiverende gespreksvoering

Communiceert met de zorgvrager en het sociale netwerk (Communicator)
MODULE 8 (B1-K1-W5)
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 2-4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Communiceert met de zorgvrager en het sociale netwerk (Communicator)
MODULE 8 (B1-K1-W5)

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesinhoud
  • Lesdoelen
  • Refresh your memory
  • Motiverende gespreksvoering theorie
  • Opdracht in de les 

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom moet ik als vz-er/vp-er mijn gespreksniveau aanpassen aan de ander?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Bij een probleemoplossend gesprek...
A
Zoek jij de oplossing voor het probleem van de zv.
B
Zoek je samen met de zv. naar een oplossing voor het probleem
C
Gaat de zv alleen op zoek naar de oplossing van het probleem
D
Denk je niet in oplossingen

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij een slechtnieuwsgesprek is het belangrijk zo snel mogelijk het slechte nieuws te vertellen
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het doel van reflecteren?

Slide 6 - Open vraag

Inzicht krijgen in eigen gedrag, vaardigheden en gevoelens. Ontwikkelen van zelfkennis.
Wat is het verschil tussen overdracht en tegenoverdracht?

Slide 7 - Open vraag

Overdracht is het overbrengen van gevoelens, verwachtingen en wensen van de cliënt naar zorgverlener.
Tegenoverdracht is het tegenovergestelde. Het gaat hier om jou gevoelens die je overbrengt aan de ander.
Welke soort vragen ken je?

Slide 8 - Open vraag

Open en gesloten.
(in)directe vragen
informatieve en verhelderende vragen
onderzoekende vragen
controlevragen
opinievragen
confronterende vragen
suggestieve vragen 

Slide 9 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat is motiverende gespreksvoering?
  • Een cliëntgerichte methode om te bevorderen dat de ander intrinsiek gemotiveerd wordt tot verandering, door ambivalentie (tegenstrijd) te verkennen en op te lossen.

  • Pas als een cliënt aan het twijfelen is gebracht over zijn huidige gedrag, is het mogelijk een gedragsverandering teweeg te brengen. 

  • Motivatie afhankelijk van drie componenten
- Willen (belang van verandering in zien)
- Kunnen (hebben van vertrouwen in verandering)
- Klaar zijn ( stellen van prioriteiten)

Slide 10 - Tekstslide

Wat is motiverende gespreksvoering? • Motiverende gespreksvoering is een cliëntgerichte, directieve methode om te bevorderen dat de cliënt intrinsiek gemotiveerd wordt tot verandering, door ambivalentie te verkennen en op te lossen. 

Ambivalentie betekent zoiets als ‘hinken op twee gedachten’. Pas als een cliënt aan het twijfelen is gebracht over zijn huidige gedrag, is het mogelijk een gedragsverandering teweeg te brengen. • 

Motivatie zorgt ervoor dat gedrag ‘geactiveerd wordt’, ‘richting krijgt’ en ‘volgehouden’ of juist ‘gestopt’ wordt. De motivatie van een persoon is beïnvloedbaar in een gesprek. • 

Motivatie is afhankelijk van drie componenten:
 - Willen: het belang van verandering inzien 
- Kunnen: het hebben van vertrouwen in verandering 
- Klaar zijn: het stellen van prioriteiten

6 Stadia van gedragsverandering

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stadia 1 Voorbeschouwing
  • Verandering van gedrag wordt niet overwogen
  • Niet of onvoldoende bewust van risicogedrag 
  • Niet overtuigd dat voordelen van gedragsverandering zwaarder wegen dan de nadelen

“De kans dat ik ziek word van roken is minimaal”


Slide 12 - Tekstslide

Gedragsverandering is niet vanzelfsprekend een doorlopend proces.

Op papier lijkt de gedragsverandering uitgebeeld te worden als een doorlopend proces. Met succes door de eerste fase betekent dan automatisch terechtkomen in de tweede fase, en zo door elke fase naar het eindpunt. Voor de meeste mensen is dit geen realiteit. 

Terugval kan bijvoorbeeld in iedere fase plaatsvinden.

Stadia 2 Overpeinzing en ambivalentie 
  • Ambivalentie is een gespleten gevoel. Je wil iets, en je wil het tegelijkertijd ook niet
  • Verandering van gedrag wordt overwogen
  • Bewust van risicogedrag 
  • Balans en afweging voor- en nadelen huidig en nieuw gedrag
  • Nog geen concrete plannen voor gedragsverandering

“Ik maak me soms zorgen over mijn rookgedrag, maar ik vind het ook lekker”





Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stadia 3 Voorbereiden/beslissen
  • Bewust van risicogedrag
  • Meestal overtuigd van voordelen gedragsverandering
  • Wil graag veranderen, maar weet niet hoe 
  • Vaak al stappen in de richting van gedragsverandering ondernomen, maar zonder succes
  • Beslissing tot verandering is genomen

“Ik wil deze ongerustheid voorkomen. Ik besluit te stoppen met roken”


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stadia 4 Actieve verandering
  • Inzicht in noodzaak tot veranderen en mogelijkheden daartoe
  • Risicogedrag is veranderd
  • Nieuw gedrag wordt geïmplementeerd
  • Nieuw gedrag is nog geen 'gewoonte' geworden

“Ik ben officieel gestopt met roken”


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stadia 5 Gedragsbehoud  
en Stadia 6 Terugval
Stadia 5:
Gedragsverandering is 'gewoonte‘  “Ik hou vol, ik rook niet”

Stadia 6 
Terugval naar risicogedrag   “Het lukt me niet meer”

Terugval van latere stadia naar eerdere stadia is gedurende het gehele proces mogelijk



Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Houding en gesprekstechnieken 
  • Wees empathisch (echt inleven in de cliënt en niet doen alsof)

  • Ontwikkelen van discrepantie (richt je op het verschil (vanuit het perspectief van de cliënt) tussen het huidige en toekomstige gedrag) “hoe ben of doe ik nu en hoe wil ik doen of zijn?”

  • Meeveren met weerstand (vermijd discussie of argumentatie)

  • Ondersteunen van eigen effectiviteit (het geloof in eigen kunnen ondersteunen en versterken)




Slide 17 - Tekstslide

Er zijn vier principes die als een rode draad door de methode ‘motiverende gespreksvoering’ lopen:
1 Wees empathisch: het gaat om daadwerkelijk inleven in de cliënt en niet doen alsof 
2 Ontwikkelen van discrepantie: richt je op het verschil (vanuit het perspectief van de cliënt) tussen het huidige en toekomstige gedrag. ‘Hoe ben of doe ik nu en hoe wil ik doen of zijn?’ c
3 Meeveren met weerstand: vermijd discussie of argumentatie. Veer mee met de weerstand en zie dit als een kans.
4 Ondersteunen van eigen effectiviteit: het gaat er hierbij om dat je het geloof in eigen kunnen ondersteunt en versterkt. Eigen effectiviteit is een directe voorspeller van gedragsverandering.

Verandertaal --> Commitmenttaal
  • Wat zou er veranderen als je besluit om het probleem aan te pakken?
  • Hoe zou je het aanpakken zodat het ook echt gaat lukken?
  • Wat zijn je drie belangrijkste redenen om gedrag te veranderen?
  • Op een schaal van 1 tot 10, hoe belangrijk is het voor jou om dot te veranderen? Waarom 1 en geen 4.
  • Blik terug op pogingen die al zijn gelukt 
  • Bedenk samen ideeën om te zorgen dat het plan ook echt gaat lukken 
  • Geef advies en informatie ALLEEN ALS DE ANDER HIER ZELF NAAR VRAAGT 
  • Benadruk dat elke nieuwe poging het proberen waard is.  

Slide 18 - Tekstslide

Er zijn vier principes die als een rode draad door de methode ‘motiverende gespreksvoering’ lopen:
1 Wees empathisch: het gaat om daadwerkelijk inleven in de cliënt en niet doen alsof 
2 Ontwikkelen van discrepantie: richt je op het verschil (vanuit het perspectief van de cliënt) tussen het huidige en toekomstige gedrag. ‘Hoe ben of doe ik nu en hoe wil ik doen of zijn?’ c
3 Meeveren met weerstand: vermijd discussie of argumentatie. Veer mee met de weerstand en zie dit als een kans.
4 Ondersteunen van eigen effectiviteit: het gaat er hierbij om dat je het geloof in eigen kunnen ondersteunt en versterkt. Eigen effectiviteit is een directe voorspeller van gedragsverandering.

Houding tijdens motiverende gespreksvoering

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Houding vervolg

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke gesprekstechnieken kennen we ook alweer?

Slide 21 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies




  • Stel open vragen
  • Bevestig de uitspraken van de cliënt
  • Luister reflectief
  • Neem ANNA mee
  • LSD



  • Laat OMA thuis 
  • Lok verandertaal uit
  • Reageren op verandertaal
  • Vertrouwen van cliënt vergroten
  • Omgaan met weerstand

Herhaling: 10 basis gesprekstechnieken

Slide 22 - Tekstslide

Tien basis gesprekstechnieken:
1 Stel open vragen. Deze beginnen met vraagwoorden als: hoe, wat, waar, welke.

2 Bevestig de uitspraken van de cliënt door waardering te tonen voor hoe hij met zaken omgaat of vanwege het begrip dat je hebt voor de ervaringen die hij of zij beschrijft. Let op, bevestigingen zijn geen complimenten.

3 Luister reflectief; dat wil zeggen dat je nagaat of je de cliënt goed hebt begrepen. Je probeert ook de cliënt in beweging te houden door kleur te geven aan wat hij of zij zegt. Reflectief luisteren kan heel directief worden ingezet.
Eenzijdige reflectie: je ’herhaalt’ als het ware wat de cliënt heeft gezegd, soms met een kleine accentverschuiving. Let op: het alleen herhalen van wat de cliënt heeft gezegd, kan tot een traag en moeizaam gesprek leiden. Maak daarom datgene wat de cliënt zegt iets kleiner of groter. Versterkte reflectie: je herhaalt op een versterkte of overdreven manier wat de cliënt heeft gezegd, zonder sarcasme of waardeoordeel.
Tweezijdige reflectie: je vat beide kanten samen van de ambivalentie zoals de cliënt die heeft weergegeven. Bijvoorbeeld: ‘Aan de ene kant geef je aan dat je graag wilt stoppen met roken omdat dit beter voor je astma is, aan de andere kant is voor jou het sigaretje op het terras met vrienden heel ontspannend.

4. Neem ANNA mee: Altijd Navragen, Nooit zomaar Aannemen.

5 LSD: Luisteren, Samenvatten en Doorvragen.

6 Neem OMA mee: niet Oordelen, geen Mening of Advies geven.

7 Lok verandertaal uit die richting geeft aan het oplossen van de ambivalentie van de cliënt. Verandertaal kun je uitlokken door open vragen te stellen, te bevestigen, reflecteren en samenvatten.
Zorg ervoor dat je verandertaal teweegbrengt op de volgende vier gebieden:
 • Voordelen van het veranderen
 • Nadelen van het niet-veranderen
 • Optimisme over het veranderen teweegbrengen
 • De bedoeling om veranderen onder woorden te brengen

8. Reageren op verandertaal Met alleen verandertaal is nog geen voornemen tot verandering gevormd. Zorg er daarom voor dat je in gesprek gaat, wijd uit, bevestig, reflecteer en vat samen en houd de richting van de gewenste verandering voor ogen. Verandertaal moet uiteindelijk worden omgezet in ‘commitmenttaal’: uitspraken van de cliënt waaruit een voornemen tot echt veranderen blijkt.
Vragen die kunnen helpen om van verandertaal naar commitmenttaal te komen: • Wat zou er veranderen als je zou besluiten om dit te gaan doen? • Hoe zou je het aanpakken om het te laten slagen voor jezelf? • Wat zijn de 3 belangrijkste redenen om het te gaan doen? • Op een schaal van 1-10; hoe belangrijk is het voor jou om dit te veranderen? En wat maakt dat het bijvoorbeeld een 4 is en geen 0 of 1?

9. Probeer het vertrouwen van de cliënt in zichzelf te vergroten. Vertrouwen is belangrijk om de gedragsverandering te doen slagen. Om vertrouwen te vergroten kunnen de volgende zaken helpen: • Blik terug op vroegere successen • Brainstormen; spui vrijuit ideeën over hoe verandering tot stand kan komen en vraag de cliënt ideeën uit de lijst te halen die de meeste kans van slagen hebben (en vraag door waarom) • Geef informatie en advies als de cliënt dat wenst en zich vrij voelt om zelf te bepalen wat hij of zij ermee doet • Smeed mislukkingen om tot pogingen; de cliënt heeft de juiste aanpak nog niet gevonden

10. Omgaan met weerstand – meebewegen, tegenbewegen en gelijk op bewegen Weerstand is vaak heel duidelijk in het gedrag. Voorbeelden zijn: Zelfredzaamheid | Motiverende gesprekstechnieken | in discussie gaan, argumenteren, onderbreken, ontkennen of negeren.

Opdracht 
  • Je verdeelt de onderstaande rollen en rouleert in de uitwerking.
  1. Gespreksvoerder 
  2. Client/zorgvrager
  3. Observator
  • Bereid een casus voor waarover jullie gesprek gaat
  • Voer het gesprek met elkaar (de rollen zijn verdeeld). De observator geeft feedback op de volgende onderdelen:
  1. Opbouw van het gesprek
  2. Toepassen methodiek / gespreksfasen
  3. Toepassen basiscommunicatie: LSD (luisteren - samenvatten - doorvragen) 

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Volgende week  

  • Keuzedelen 
  • afronding modules
  • Digibib  

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies