Brutowinst/nettowinst en verkoopprijs incl excl btw

Liquide middelen
Vaste activa
Vlottende activa
Eigen vermogen
Kort vreemd vermogen
Lang vreemd vermogen
Gebouw
Bedrijfsterrein
Rabobank rekening
Kas
Debiteuren
Lening (5 jaar)
Hypothecaire lening
Crediteuren
Lening (<1 jaar)
1 / 49
volgende
Slide 1: Sleepvraag
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Liquide middelen
Vaste activa
Vlottende activa
Eigen vermogen
Kort vreemd vermogen
Lang vreemd vermogen
Gebouw
Bedrijfsterrein
Rabobank rekening
Kas
Debiteuren
Lening (5 jaar)
Hypothecaire lening
Crediteuren
Lening (<1 jaar)

Slide 1 - Sleepvraag

Hoeveel 'verdient' Apple per seconde?

Slide 2 - Open vraag

Apple 2e kwartaal 2024
Omzet: $ 89.900.000.000 (89,9 mld)
Winst: $ 23.100.000.000 (23,1 mld)

De winst- en omzetcijfers zijn duizelingwekkend. Met Apple voorop. De omzet van de iPhone-maker schoot omhoog met 54 procent tot 89,6 miljard dollar. De winst knalde met 110 procent groei door alle verwachtingen heen naar 23,6 miljard dollar. 23,6 miljard dollar in 90 dagen, dat is 262 miljoen per dag. Nog verder doorgerekend: 3035 dollar (2503 euro) nettowinst per seconde.

Slide 3 - Tekstslide

-
-
Omzet
Nettowinst
Bedrijfskosten
Inkoopwaarde
Brutowinst

Slide 4 - Sleepvraag

Brutowinst
Omzet (= opbrengst) = prijs x afzet (aantal verkochte producten)
Inkoopwaarde = inkoopwaarde van de omzet
Brutowinst = Omzet - inkoopwaarde

Omzet
Inkoopwaarde -
Brutowinst


Slide 5 - Tekstslide

Een autodealer verkoopt een auto voor € 12000,-.
De inkoopprijs van de auto is € 9000,-.
De bedrijfskosten zijn € 250,-
Vul het schema in en bereken de brutowinst en de nettowinst.
_____________________________
_____________________________
Omzet
Inkoopprijs
Brutowinst
Bedrijfskosten
Nettowinst
€ 12000,-
€ 2750,-
€ 250,-
€ 9000,-
€ 3000,-

Slide 6 - Sleepvraag

Voorkennis
Verkoopprijs exclusief btw x afzet = 

Omzet - inkoopwaarde = 

Brutowinst - bedrijfskosten =


Omzet
Brutowinst
Nettowinst

Slide 7 - Sleepvraag

Een rijwielhandelaar verkoopt 100 keer een fiets voor € 250,-.
De inkoopprijs van de fiets is € 170,-.
De bedrijfskosten zijn € 2500,-
Vul het schema in en bereken de brutowinst en de nettowinst.
_____________________________
_____________________________
Omzet
Inkoopprijs
Brutowinst
Bedrijfskosten
Nettowinst
€ 2500,-
€ 17.000,-
€ 25.000,-
€ 8000,-
€ 5500,-

Slide 8 - Sleepvraag

Maak de berekeningen compleet.
×
=
omzet
+
=
omzet
nettoresultaat
verkoopprijs
inkoopprijs
inkoopwaarde omzet
afzet
brutowinst

Slide 9 - Sleepvraag

Inkoopprijs vs. inkoopwaarde
Inkoopprijs = prijs per stuk die je betaalt voor één product dat je inkoopt

Inkoopwaarde = totale waarde van alle ingekochte producten 
(= inkoopprijs x afzet)

Slide 10 - Tekstslide

Hoe bepaalt een ondernemer zijn verkoopprijs?

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Brutowinst percentage
Brutowinst kan ook als percentage worden berekend van de inkoopprijs of van de verkoopprijs

Slide 16 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d verkoopprijs
Voorbeeld: Je verkoopt tassen voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d. verkoopprijs.
Hoe hoog was de inkoopprijs?
Inkoopprijs         € ?         - ?         
Brutowinst         € ?         15% +
Verkoopprijs   € 50,-       100%

Slide 17 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d verkoopprijs
Voorbeeld: Je verkoopt tassen voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d. verkoopprijs.
Hoe hoog was de inkoopprijs?
Inkoopprijs      €  ?                   ? %         
Brutowinst      €   7,50            15% +
Verkoopprijs   € 50,-        100%

Slide 18 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d verkoopprijs
Voorbeeld: Je verkoopt tassen voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d. verkoopprijs.
Hoe hoog was de inkoopprijs?
Inkoopprijs      € 42,50           85%       
(Bruto)winst    €   7,50               15%
Verkoopprijs    € 50,-              100%

Slide 19 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d. inkoopprijs
Voorbeeld: Je koopt tassen in voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d inkoopprijs. Wat is de verkoopprijs?
Verkoopprijs € ?                      ?
Inkoopprijs    € 50,-    -           100%  -
Brutowinst    € ?                         15%

Slide 20 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d. inkoopprijs
Voorbeeld: Je koopt tassen in voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d inkoopprijs. Wat is de verkoopprijs?
Verkoopprijs € ?                      ?
Inkoopprijs    € 50,-    -           100%  -
Brutowinst    €     7,50              15%

Slide 21 - Tekstslide

Brutowinst als percentage v.d. inkoopprijs
Voorbeeld: Je koopt tassen in voor 50 euro per stuk. Je brutowinst percentage is 15% v.d inkoopprijs. Wat is de verkoopprijs?
Verkoopprijs € 57,50               115%
Inkoopprijs    € 50,-    -           100%  -
Brutowinst    €     7,50              15%

Slide 22 - Tekstslide

Brutowinst als percentage van de verkoopprijs

Inkoopprijs € 42,50 -     85% -
Brutowinst € 7,50          15%
Verkoopprijs € 50,-       100%
Brutowinst als percentage van de inkoopprijs

Inkoopprijs € 50,- -         100% -
Brutowinst € 7,50              15%
Verkoopprijs € 57,50       115%

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

De verkoopprijs van een pen is 80 cent. De inkoopprijs is 64 cent. Wat is brutowinstopslag van de verkoopprijs?
A
10%
B
20%
C
25%
D
28%

Slide 25 - Quizvraag

De brutowinst op een courgette is € 0,50. De brutowinstopslag bedraagt 40% van de inkoopprijs. Bereken de inkoopprijs
A
€ 1,-
B
€ 1,75
C
€ 2,-
D
€ 1,25

Slide 26 - Quizvraag

De brutowinst op een courgette is € 0,50. De brutowinstopslag bedraagt 40% van de inkoopprijs. Bereken de verkoopprijs
A
€ 1,-
B
€ 1,75
C
€ 2,-
D
€ 1,25

Slide 27 - Quizvraag

Voor je kledingzaak koop je een jas in voor € 55. Je rekent 75% brutowinstopslag.
Bereken het bedrag van de brutowinstopslag
A
€ 96,25
B
€ 13,75
C
€ 41,25

Slide 28 - Quizvraag

1. Omzet = afzet x                                                          
2. Omzet -                                 = brutowinst
3. Brutowinst -                                  = nettowinst


  
bedrijfskosten
verkoopprijs
inkoopwaarde
nettowinst
brutowinst
inkoopprijs

Slide 29 - Sleepvraag

Afzet x Verkoopprijs
Omzet - Inkoopwaarde

Inkoopwaarde + Brutowinstmarge 
Omzet
Verkoop prijs
Bruto winst

Slide 30 - Sleepvraag

Hoe bepaalt een ondernemer zijn verkoopprijs?
Uitgangspunt: kosten

Inkoopprijs 
+ winstmarge
Verkoopprijs excl btw
+ btw (21%)
verkoopprijs incl btw

Slide 31 - Tekstslide

Hoe bepaalt een ondernemer zijn verkoopprijs?
Uitgangspunt: kosten

Inkoopprijs 
+ winstmarge
Verkoopprijs excl btw
+ btw (21%)
verkoopprijs incl btw

Brutowinstmarge
het bedrag dat je optelt bij de inkoopprijs om de verkoopprijs te berekenen.

Een deel daarvan gaat op aan de bedrijfskosten.

Slide 32 - Tekstslide

De verkoopprijs is € 60 exclusief 9% btw. Bereken de verkoopprijs inclusief btw.

Slide 33 - Open vraag

De verkoopprijs is € 83,49 inclusief 21% btw. Bereken de prijs (in euro's) exclusief btw.

Slide 34 - Open vraag

Slide 35 - Video

Wat is de consumentenprijs?
A
Verkoopprijs
B
Verkoopprijs zonder btw
C
Inkoopprijs
D
Verkoopprijs met btw

Slide 36 - Quizvraag

Consumentenprijs
Verkoopprijs incl btw = consumentenprijs
De prijs die de consument betaalt voor een product in de winkel.

Verkoopprijs + btw   = consumentenprijs
100%                 +  21%  =  121%




Slide 37 - Tekstslide

De consumentenprijs is € 25,86. BTW is 9% BTW. Wat is de verkoopprijs?
A
€ 28,19
B
€ 23,53
C
€ 31,29
D
€ 23,72

Slide 38 - Quizvraag

Voor je kledingzaak koop je een jas in voor € 55. Je rekent 75% brutowinstopslag. Op een goede dag verkoop je er 100 aan Prinses Beatrix. Bereken de brutowinst.
A
€ 9625,-
B
€ 1375
C
€ 41,25
D
€4125,-

Slide 39 - Quizvraag

De verkoopprijs is € 185,-
de btw is 9%. Wat is het btw bedrag?
A
€ 210,55
B
€ 15,28
C
€ 38,85
D
€ 16,65

Slide 40 - Quizvraag


_______ zijn kosten die een bedrijf maakt om te kunnen produceren.

Voorbeelden van bedrijfskosten zijn: personeelskosten, huisvestingskosten en _______.

De _______ is het aantal verkochte producten.

De _______ is het geldbedrag dat hoort bij de afzet.

Omzet - _______ = _______.

Brutowinst - bedrijfskosten = _______.






Samenvatting
reclamekosten
nettowinst
inkoopkosten
brutowinst
Bedrijfskosten
omzet
afzet

Slide 41 - Sleepvraag

Brutowinst is dé winst?
Is brutowinst wat de ondernemer in zijn zak kan steken?
NEE!!
Naast de kosten voor inkoop, heb je nog meer kosten.
Welke?

Slide 42 - Tekstslide

Noem andere kosten van een bedrijf (naast de inkoopkosten)

Slide 43 - Woordweb

Wat als je alles betaald hebt?
Wanneer je als ondernemer
 de inkoopkosten hebt betaald,
&
de andere bedrijfskosten hebt betaald,
....
blijft er hopelijk iets over?

Slide 44 - Tekstslide

Brutowinst vs. nettowinst
Nettowinst is wat er overblijft als alle kosten betaald zijn:

Omzet 
Inkoopwaarde -
Brutowinst
Bedrijfskosten -
Nettowinst / verlies

Slide 45 - Tekstslide

Van een winkel zijn de volgende gegevens bekend:
afzet 3.000 stuks, inkoopprijs € 35, verkoopprijs, € 75,
Bereken de brutowinst.

Slide 46 - Open vraag

Wat is BTW?
A
Belasting toenemende waarde
B
Belasting toegevoegde waarde
C
Belasting toegevoegde winkel
D
Bruto toegevoegde waarde

Slide 47 - Quizvraag

Wat doen bedrijven met de btw die ze ontvangen?

Slide 48 - Open vraag

Stel een bedrijf heeft €5.000 ontvangen aan BTW Bij hun verkopen en €3.000 betaald aan BTW bij hun inkopen.
Hoeveel BTW moeten ze nu betalen aan de belastingdienst?

Slide 49 - Open vraag