cross

H1 vwo 2 2020

Chapitre 1
Destinations de rêve!
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Chapitre 1
Destinations de rêve!

Slide 1 - Tekstslide

Les vacances

Slide 2 - Woordweb

Feuillettez le livre!
Quel est le sujet?
Quels sont les buts?

Slide 3 - Tekstslide

Quel est le sujet?

Slide 4 - Woordweb

Quels sont les buts?

Slide 5 - Woordweb

France/Guadeloupe/Canada/Senegal/Maroc.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Slide 8 - Video

Slide 9 - Video

Parler français
Hoe vraag je: 
*Heb je een goede vakantie gehad? Met wie ben je gegaan?
* Wat heb je gedaan?  *Hoe lang ben je gebleven?  
* Zijn jullie in een hotel geweest? Was het mooi weer?
Hoe zeg je:
* Ja het was fantastisch/super .* Met mijn ouders.
* Wij zijn naar het strand gegaan. * Wij zijn 3 weken gebleven.  
* Nee, wij hebben een appartement gehuurd. *Ja, het was erg warm

Slide 10 - Tekstslide

Tu as passé de bonnes vacances?
Oui, c'était super!

Slide 11 - Tekstslide

Tu es allé(e) en vacances avec qui?
              Avec mes parents.

Slide 12 - Tekstslide

Qu'est-ce que vous avez fait?
Nous sommes allé(e)s à la plage.

Slide 13 - Tekstslide

Vous êtes resté(e)s combien de temps?
Nous sommes resté(e)s 
trois semaines.

Slide 14 - Tekstslide

Vous avez été à l'hôtel?
Non, on a loué un appartement.

Slide 15 - Tekstslide

Il a fait beau?
Oui, il a fait très chaud: entre 30 et 35 degrés.

Slide 16 - Tekstslide

L'accrobranche, qu'est-ce que c'est?
C'est un parcours dans les arbres.

Slide 17 - Tekstslide

Wat is de voltooid verleden tijd?
Geef eens voorbeelden?

Slide 18 - Woordweb

Wat weet je nog over het werkwoord avoir?

Slide 19 - Woordweb

Wat weet je nog over het werkwoord être?

Slide 20 - Woordweb

Le passé composé
Wat is een passé composé?
Uit welke twee delen bestaat de passé composé?
Hoe maak je een voltooid deelwoord bij een werkwoord op -er?
Wat is het voltooid deelwoord van het werkwoord "faire"?


Slide 21 - Tekstslide

Le passé composé
Welk hulpwerkwoord moet ik kiezen: avoir of être?
Hetzelfde als in het Nederlands? 

Par exemple: J'ai fait mes devoirs
                      Marc est allé au camping

Uitzonderingen: être (zijn), oublier (vergeten) en commencer (beginnen)
Par exemple: J'ai été à l'hôtel

Slide 22 - Tekstslide

Le passé composé
Hww: être
Je suis allé          Je suis allée
Tu es allé              Tu es allée
On est allé            On est allée
On est allés          On est allées
Nous sommes allés
Nous sommes allées
Vous êtes allé    Vous êtes allée
Vous êtes allés  Vous êtes allées

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Vertaal: Ik heb gegeten, zij is thuisgekomen en hij heeft gedaan

Slide 25 - Open vraag

Wat weet je nog over het werkwoord: aller
Geef alle vervoegingen in het Frans in de tt

Slide 26 - Woordweb

Wat weet je nog over het werkwoord: faire
Geef alle vervoegingen in het Frans in de tt

Slide 27 - Woordweb