Thema 1 les 1.14
Learning objective
Thema 1 les 1.14
Learning objective
Boos
Als je niet blij bent.
Gemeen/agressief doen.
Voorbeeldzin:
Meneer Jari is vandaag niet boos.
De gast
Persoon die je uitnodigt.
Degene die bij iemand anders is (bijv in een restaurant of hotel)
Voorbeeldzin:
De gast was niet blij met het eten.
MV: De gasten
Het gesprek
Twee (of meer) mensen die met elkaar praten.
Voorbeeldzin:
Hamdan en Ahmad zijn in gesprek over het
weer.
MV: De gesprekken
hard
hard <=> zacht
hard = snel
Voorbeeldzin:
De koekjes zijn hard.
Bijv nmw: harde
Voorbeeldzin:
De leerlingen werken heel erg hard.
last hebben van
Iets heel erg vervelend vinden.
Je storen aan iets...
Pijn hebben aan....
Voorbeeldzin:
Ik heb last van mijn buik.
WW:
Ik heb last van
jij hebt last van
hij/zij heeft last van
hun hebben last van
De leeftijd
Hoe oud je bent....
MV: de leeftijden
Voorbeeldzin:
De leeftijd voor het drinken van bier is 18 jaar.
vieren
Feest geven.
WW:
Ik vier
jij viert
zij vieren
Voorbeeldzin:
Ik vier mijn verjaardag 26 juli.
moe
Geen energie hebben. Willen slapen.
Voorbeeldzin:
Ik werk 20 uur dus ik ben moe.
overmorgen
De dag na morgen.
Voorbeeldzin:
Vandaag is het maandag, overmorgen is het woensdag.
Stil
Geen geluid maken
Voorbeeldzin:
De klas is al de hele dag stil.
De uitnodiging
Vragen of iemand bij jou langs komt.
Een bericht sturen om te vragen of iemand langs komt.
Voorbeeldzin:
Ik stuur hem een uitnodiging om bij mij te komen eten.
MV: De uitnodigingen
De verjaardag
De dag dat je jarig bent.
Voorbeeldzin:
Vandaag is mijn verjaardag.
MV: De verjaardagen
zachter
Minder hard, minder snel,
Voorbeeldzin:
Deze wol is zachter.
Je moet zachter praten, ik heb last van het lawaai,
Passen op
Opletten, goed kijken, uitkijken.
Letten op iemand anders zijn kind(eren)
Voorbeeldzin:
Als je gaat bergklimmen moet je goed oppassen.
Donderdag ga ik op mijn neefje passen.