Uiterlijke Verzorging Hoofdstuk 5 (STRUX)

Je leert over:
  • Verzorgd gekleed zijn
  • Passend gekleed zijn
  • Werkkleding
  • Beschermende kleding / persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's)
1 / 54
volgende
Slide 1: Tekstslide
ik en de maatschappijPraktijkonderwijsLeerjaar 1

In deze les zitten 54 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Je leert over:
  • Verzorgd gekleed zijn
  • Passend gekleed zijn
  • Werkkleding
  • Beschermende kleding / persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM's)

Slide 1 - Tekstslide

Je verzorgd kleden




Je verzorgd kleden betekent dat je kleren schoon zijn.
Maar ook heel.
En het moet goed zitten.

Slide 2 - Tekstslide

Schoon betekent hier: geen vlekken.

En geen nare geurtjes.
Je moet je kleren dus regelmatig wassen. Zodat ze schoon zijn en fris ruiken. 

Slide 3 - Tekstslide

Sommige kleding moet je na het wassen strijken.

Anders zijn ze helemaal verkreukeld. En dat ziet er niet verzorgd uit. 






Je schoenen houd je schoon met een vochtige doek. Of met schoenpoets. 

Slide 4 - Tekstslide

Je kleding moet ook heel zijn. Niet kapot. Heel - dus niet kapot - betekent hier: 
  • geen gaten 
  • geen losse draadjes 
  • niet versleten 
  • niet afgetrapt. 

Slide 5 - Tekstslide

Kleding moet schoon zijn. Wat wordt hiermee bedoeld volgens het boek?

Slide 6 - Open vraag

Stel: Een vriend gaat solliciteren voor een stageplek..

Slide 7 - Tekstslide

Deze vriend vraagt kledingadvies. Welke advies zou jij geven?

Slide 8 - Open vraag

Is dit dan verzorgde kleding?
A
ja
B
nee

Slide 9 - Quizvraag

En is dit verzorgde kleding?
A
ja
B
nee

Slide 10 - Quizvraag

Welke kleding is niet verzorgd?
Maak opdracht 2. Schrijf op waarom wel of niet.

Slide 11 - Tekstslide

Bekijk deze foto goed.
Wat valt je op aan de kleding van deze mannen?

Slide 12 - Tekstslide

De man in de lichte kleding (links) is niet aangenomen voor de baan
A
Logisch, hij ziet er niet verzorgd uit.
B
Vreemd, hij ziet er wel verzorgd uit.

Slide 13 - Quizvraag

Je wilt een net jasje aandoen naar een familiefeest (bruiloft). Er is een knoop af..
A
Trek ik gewoon aan
B
Trek ik niet aan

Slide 14 - Quizvraag

Je wilt een keurige bloes aandoen naar een familiefeest (bruiloft). Hij is erg verkreukeld
A
Trek ik gewoon aan
B
Trek ik niet aan

Slide 15 - Quizvraag

Wat zou jij doen?
Maak opdracht 3 en 4. Schrijf op waarom wel of niet.

Slide 16 - Tekstslide

kledingmaten
  • passen
  • kledingmaten in cijfers
  • kledingmaten in letters

Slide 17 - Tekstslide

Kledingmaten

Je verzorgd kleden betekent ook dat de kleding goed zit.
De kleding moet passen.
Trek dus geen kleding aan die veel te groot is.
Of juist veel te klein.
Want ook dit ziet er niet verzorgd uit. 



Slide 18 - Tekstslide

Je moet dus goed weten welke kledingmaat je hebt. 

En welke schoenmaat.

Slide 19 - Tekstslide

Sommige kledingmaten zijn in cijfers. Bijvoorbeeld maat 176.

Dat is de grootste kinderkledingmaat.

Deze maat is voor iemand die ongeveer 1,76 meter lang is.

Of maat 40. Dit is een gemiddelde maat voor dames.

Bij schoenen zijn de maten ook in getallen. Bijvoorbeeld maat 37. Of maat 44.



Slide 20 - Tekstslide

Sommige kledingmaten zijn in letters.

Bekijk de tabel op bladzijde 65.

Maak opdracht 5.



S
Small
M
Medium
L
Large

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Extra Small
 Small
Medium
Large
Extra Large
Bestaat niet
S
Me
ES
M
L
XL
XS
ES

Slide 23 - Sleepvraag

Hicham heeft maat 176. Welk maat in letters heeft hij? Vul in bij opdracht 6.

Slide 24 - Tekstslide

Madelief heeft maat 158. Welke maat in letters heeft zij? Vul in bij opdracht 6.

Slide 25 - Tekstslide

Welke maten heb jij?
Vul dit in bij opdracht 7.

Slide 26 - Tekstslide

Je passend kleden
Je passend kleden betekent dat je kleren passen bij: 

  •  de gelegenheid 
  • het weer of het seizoen 
  • het bedrijf waar je werkt of stage loopt.

Passend bij de gelegenheid

Ben je thuis met je vrienden een filmpje aan het kijken?
Dan kun je prima in spijkerbroek en trui rondlopen.

Ga je naar een spetterend feest?
Dan draag je iets feestelijks.
Ga je op stagegesprek? Dan trek je nette kleding aan. 




Slide 27 - Tekstslide

Passend bij het weer of het seizoen 

Je kleding moet passen bij het weer.

In de winter draag je een dikke trui.
En in de zomer een bloesje met korte mouwen. 


Passend bij het bedrijf waar je werkt of stage loopt 
In sommige beroepen mag je dragen wat je wilt.

Als de kleding maar schoon en heel is. Maar bij andere beroepen moet je een uniform dragen.
Bijvoorbeeld als beveiliger.
Of je moet representatieve kleding dragen. Bijvoorbeeld als je met klanten omgaat.
 




Slide 28 - Tekstslide

Je gaat naar je stage maar je hebt je oude versleten spijkerbroek nog aan. Je trekt even iets anders aan. Leg uit waarom je dat doet:

Slide 29 - Open vraag

Wat is 'representatieve kleding'? Vul ook in bij opdracht 9.
A
Nette kleding omdat je met klanten omgaat.
B
Een uniform
C
Kleding die geschikt is voor klussen in huis.
D
Kleding met het logo van het bedrijf

Slide 30 - Quizvraag

Bij welke gelegenheid past deze kleding?
A
avondje thuis op de bank
B
een feest
C
een sollicitatiegesprek

Slide 31 - Quizvraag

Bij welke gelegenheid past deze kleding? En maak ook opdracht 10.
A
avondje thuis op de bank
B
een feest
C
een sollicitatiegesprek

Slide 32 - Quizvraag

Bij welk seizoen past deze kleding?
A
zomer
B
lente
C
herfst
D
winter

Slide 33 - Quizvraag

Bij welk seizoen past deze kleding? En maak opdracht 11.
A
zomer
B
lente
C
herfst
D
winter

Slide 34 - Quizvraag

Wat trek je aan?
Klassikaal opdracht 12 bespreken.

Slide 35 - Tekstslide

Zou jij willen werken in een omgeving waar je representatieve kleding moet dragen?
Waarom wel/ niet? Vul ook in bij opdracht 13.

Slide 36 - Open vraag

Werkkleding

Op sommige werkplekken moet je werkkleding dragen.

Werkkleding is speciale kleding die je moet dragen tijdens je werk.

Bijvoorbeeld een uniform. Of een overall.

 




De werkkleding van een politieman is zijn uniform.

De werkkleding van een automonteur is een overall. 

Slide 37 - Tekstslide

Werkkleding (2)
In sommige bedrijven dragen de medewerkers een uniform met het logo van het bedrijf erop. Dit noem je ook wel bedrijfskleding. 





 





Werkkleding heeft verschillende functies:
Bescherming:
De werkkleding beschermt je. Bijvoorbeeld tegen vuil, schadelijke stoffen of water.
Uitstraling:
Alle winkelmedewerkers in een supermarkt dragen werkkleding met het logo van de supermarkt. Zo zorgen ze allemaal voor een zelfde uitstraling.
Herkenbaarheid:
De politie en ambulancepersoneel zijn herkenbaar aan hun uniform. Door hun uniform weet je welk werk ze doen.
 



Slide 38 - Tekstslide

Welke 3 functies heeft werkkleding?
( 3 antwoorden zijn goed)
A
Herkenbaarheid
B
Bescherming
C
Uitstraling
D
Vitaliteit

Slide 39 - Quizvraag

Bij welke werkkleding hoort de functie 'uitstraling'?
(meer antwoorden zijn goed)
A
B
C
D

Slide 40 - Quizvraag

Bij welke werkkleding hoort de functie 'herkenbaarheid'?
(meer antwoorden zijn goed)
A
B
C
D

Slide 41 - Quizvraag

Bij welke werkkleding hoort de functie 'bescherming'?
(meer antwoorden zijn goed)
A
B
C
D

Slide 42 - Quizvraag

Beschermende kleding

Soms heeft kleding een beschermende functie.
De kleding beschermt je dan tegen vuil, hitte of water.
 
Het pak van een brandweerman is bijvoorbeeld brandwerend en waterdicht.



Als je buiten in het donker moet werken, draag je reflecterende kleding. Dan kan iedereen je zien. Dan wordt je minder snel aangereden. 

Slide 43 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld veiligheidsschoenen

Slide 44 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld handsschoenen

Slide 45 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld een veiligheidshelm

Slide 46 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld een veiligheidsbril

Slide 47 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld oorbeschermers of oordopjes

Slide 48 - Tekstslide

Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) draag je om jezelf te beschermen. Bijvoorbeeld een mondkapje

Slide 49 - Tekstslide

Je werkt in een houtzagerij waar veel zaagsel en stof is. Welke PBM kies je?
A
B
C
D

Slide 50 - Quizvraag

Je werkt in een fabriek waar je zware dingen moet vervoeren. Welke PBM kies je?
A
B
C
D

Slide 51 - Quizvraag

Je werkt in een fabriek waar veel lawaai is. Welke PBM kies je?
A
B
C
D

Slide 52 - Quizvraag

Wil jij later werken in een omgeving waar je werkkleding en PBM's moet dragen?
Waarom wel/ niet?

Slide 53 - Open vraag

Weet je nu hoe je verzorgd, passend kleed?
Weet je nu meer over werkkleding en PBM's?
😒🙁😐🙂😃

Slide 54 - Poll