les 1 specifieke ontwikkelbehoeftes

les 1: 3 februari specifieke ontwikkelbehoeftes
GPM 2e jaars


nodig PWB basisboek hoofdstuk 12 
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

les 1: 3 februari specifieke ontwikkelbehoeftes
GPM 2e jaars


nodig PWB basisboek hoofdstuk 12 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

inhoud les
  • kennismaking
  • doornemen doelen deze periode
  • eindopdracht ( presentaties met info graphic )
  • presentaties in week 8 en 9
  • verschil tussen gedragsproblemen en gedragsstoornissen

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

kennismaking
vertel iets waaraan ik kan onthouden hoe je heet, dus bijvoorbeeld ik ben ....... en ben gek op..........

en waar je stage loopt

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

doelen periode
• Benoemt verschillen tussen normale en niet-normale ontwikkeling.
• Beschrijft oorzaken van problemen in de ontwikkeling.
• Je licht het verband toe tussen problemen in de ontwikkeling en ontwikkelingsachterstand, ontwikkelingsstoornis, alarmsignalen en risicofactoren.
• Je licht toe wat het belang is van vroegtijdige onderkenning van zaken die de ontwikkeling van het kind bedreigen of verstoren.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

eindopdracht
Eindopdracht:​

​Geef in tweetallen (in de klas) een voorlichting over een specifieke ontwikkelbehoefte, dus een gedragsstoornis of probleem
Deze moet voldoen aan:​
Een duidelijk, met de docent afgestemd thema.​
Kenmerken van dit gedrag benoemen met praktijkvoorbeelden.​
Tips hoe je hier mee om kunt gaan.​
Doe een korte interactieve werkvorm​
Waar kan je hier meer informatie over vinden? ​
Illustreer met plaatjes, video’s en kleur​
​De presentatie duurt max 10min











Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

maken
opdracht instaptoets 12.01 basisboek

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

wat is nu gedrag?
gedrag is:
Gedrag is het geheel van waarneembare handelingen, reacties en uitingen van een kind of jongere, die ontstaan in wisselwerking tussen persoonlijke factoren (zoals ontwikkeling, emoties en behoeften) en omgevingsfactoren (zoals opvoeding, sociale context en structuur).

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeeld
In de BSO raakt Sam (7 jaar) regelmatig boos wanneer het vrije spel wordt beëindigd. Hij gooit dan speelgoed op de grond en roept dat hij niet wil opruimen. Dit gedrag is waarneembaar: boos reageren, spullen gooien en verbaal protesteren.

Dit gedrag ontstaat in de wisselwerking tussen persoonlijke en omgevingsfactoren. Sam heeft moeite met het reguleren van zijn emoties en vindt het lastig om plots te stoppen met spelen (persoonlijke factoren). Tegelijkertijd is de overgang van vrij spel naar opruimen voor hem onduidelijk, omdat hij niet altijd vooraf wordt gewaarschuwd (omgevingsfactoren).

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

  • Gedrag is zichtbaar en observeerbaar (wat je ziet en hoort).
  • Gedrag heeft altijd een functie of betekenis (het kind wil iets duidelijk maken).
  • Gedrag staat nooit los van de ontwikkeling en de omgeving.
  • Wat als ‘probleemgedrag’ wordt gezien, is vaak een signaal van een onderliggende behoefte.

Slide 9 - Tekstslide

punt 1, noem eens voorbeelden?

de verschillende 'problemen'

Slide 10 - Tekstslide

vraag of studenten deze kinderen in hun klas hebben? en wat voor kenmerken zien ze dan?
zie volgende opdracht
wat heb je op jouw stage gezien?
beschrijf welke situatie je op je stageplek hebt gezien, waar aan kon je zien dat dit kind dit had? wat was zijn gedrag?

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

gedragsprobleem
is in principe tijdelijk en wordt meestal veroorzaakt door factoren uit de omgeving

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeeld
Voorbeeld (tijdelijk gedrag door omgevingsfactoren):
In de kinderopvang huilt Noor (3 jaar) de laatste week veel vaker dan normaal en wil ze niet meespelen met andere kinderen. Ze klampt zich vast aan de pedagogisch medewerker bij het brengen. Dit gedrag is tijdelijk en ontstaat door een verandering in de omgeving: Noor is net gestart op een nieuwe groep met andere medewerkers en een andere dagindeling.

Zodra Noor went aan de nieuwe groep, vaste gezichten herkent en meer structuur ervaart, neemt het huilen af en speelt ze weer zelfstandig. Het gedrag verdwijnt grotendeels zonder dat er sprake is van een blijvend probleem in haar ontwikkeling.

Slide 13 - Tekstslide

wie herkent dit?
ik verwacht iedereen

gedragsstoornis
als het gedrag aangeboren is en niet meer over gaat noem je het een gedragsstoornis

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

voorbeeld
Bij Milan (8 jaar) is al vanaf jonge leeftijd sprake van extreem impulsief en druk gedrag. Zowel thuis als op school heeft hij moeite met luisteren, zich concentreren en het opvolgen van regels. Dit gedrag is altijd aanwezig, ongeacht de omgeving of begeleiding, en neemt niet af in de loop van de tijd.

Ondanks duidelijke structuur, voorspelbaarheid en extra ondersteuning blijft Milan moeite houden met het reguleren van zijn gedrag. Na onderzoek door een specialist wordt vastgesteld dat het gedrag aangeboren is en niet tijdelijk van aard. In dit geval spreek je van een gedragsstoornis, omdat het gedrag blijvend is en het dagelijks functioneren belemmert.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

drie gedragsaspecten
motorisch, grove motoriek

cognitief

                    sociaal-affectieve aspect

Slide 16 - Tekstslide

carroussel van maken
dus 3 posters
en ga er maar eens bij tekenen wat je bij dit soort gedrag kan zien


motorisch, grove motoriek, klauteren en lopen en de fijne motoriek tekenen en schrijven
cognitief, geheugen, waarneming, kennis, inzicht en concentratie
sociaal-affectieve aspect, omgaan met anderen, en uiting van gevoelens en emoties
drie gedragsdeterminanten, de eerste is psychologische factoren
  • psychosociale factoren, omgeving waarin het kind opgroeit, maatschappelijke factoren ( milieu en leefomstandigheden), culturele factoren ( waarden en normen die horen bij een land of bevolkingsgroep )
  • opvoeding, gezinsfactoren; waarden en normen binnen het gezin, samenstelling van het gezin
  • sociale omgeving, vrienden en relaties
  • emoties en ervaringen, positieve en negatieve ervaringen roepen positieve of negatieve emoties op 

Slide 17 - Tekstslide

determinant,  is iets dat gedrag mede bepaalt of stuurt.

maatschappelijke factoren: milieu en leefomstandigheden, denk aan huisvesting, hygiene,
culturele factoren: waarden en normen van een cultuur
bijv Nederlanders meer op de tij, altijd gehaast. Surinamers rustig rustig, niet op tijd
organische factoren
biochemische en hormonale factoren
lichamelijke factoren

Slide 18 - Tekstslide

 Voorbeeld biochemische factor
en kind met ADHD heeft vaak een andere werking van stofjes in de hersenen (zoals dopamine). Daardoor kan het druk, impulsief of snel afgeleid zijn.

Een kind met laag bloedsuiker kan prikkelbaar of boos worden in de klas.

Sommige kinderen reageren extra heftig omdat hun hersenen prikkels anders verwerken (bijv. bij autisme).

👉 Dit komt dus door hoe het lichaam en de hersenen werken, niet omdat het kind “niet wil luisteren”.

Een hoog testostorongehalte kan ervoor zorgen dat je de neiging hebt meer risico’s te nemen.
        
Voorbeeld hormonale factor: 
Slaapproblemen kunnen zorgen voor een verstoring van het slaaphormoon (melatonine), waardoor een kind snel boos of verdrietig is.

Door stress kan het lichaam meer van het stresshormoon cortisol aanmaken, wat kan leiden tot angstig of teruggetrokken gedrag.

Bij sommige kinderen start de puberteit vroeg, waardoor hormonale veranderingen kunnen zorgen voor snelle stemmingswisselingen.
Door bijvoorbeeld roken of alcoholgebruik tijdens de zwangerschap krijgt de baby giftige stoffen binnen via de placenta waardoor er later gedragsstoornissen kunnen ontstaan.
lichamelijke beperking, slechte motoriek
aanlegfactoren
- persoonlijkheid en temperament, de manier waarop een kind met zijn emoties omgaat en deze uit

- erfelijkheid, eigenschappen en persoonlijke kenmerken die worden overgedragen door biologische ouders op het kind

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

maken
opdracht 12.02

Slide 20 - Tekstslide

a. Alles wat een kind meemaakt en ervaart, heeft invloed op het gedrag.
b. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        Voorbeeld biochemische factor: Een hoog testostorongehalte kan ervoor zorgen dat je de neiging hebt meer risico’s te nemen.
        Voorbeeld hormonale factor: Door bijvoorbeeld roken of alcoholgebruik tijdens de zwangerschap krijgt de baby giftige stoffen binnen via de placenta waardoor er later gedragsstoornissen kunnen ontstaan.
c. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - De factoren (omgeving, opvoeding, sociaal, emoties en ervaringen) die invloed hebben op hoe jij met anderen omgaat en welke waarden en normen voor jou belangrijk zijn.
        - De factoren die invloed hebben op hoe je opgroeit.
d. Op de psychosociale factoren.
e. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - Biochemische en hormonale factoren
        - Lichamelijke factoren
        - Erfelijkheid

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies