Verleden tijd: oefenen en onthouden!
Verleden tijd: oefenen en onthouden!
Wat weet je al over de verleden tijd in het Nederlands?
Leerdoel van vandaag
Aan het einde van de les kun je onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd correct gebruiken en ken je ezelsbruggetjes voor regelmatige werkwoorden.
Wat weet jij al?
Schrijf drie Nederlandse werkwoorden in de verleden tijd op. We bespreken samen!
Wat is de verleden tijd?
De verleden tijd gebruik je om te praten over dingen die al gebeurd zijn. Bijvoorbeeld: 'Ik at een appel gisteren.'
Regelmatige werkwoorden: 't kofschip
Met ‘t kofschip weet je of de uitgang -te(n) of -de(n) is. Kijk naar de laatste letter van de stam.
Uitleg: stam + uitgang
Staat de laatste letter in 't kofschip? Gebruik dan -te(n). Anders -de(n).
Voorbeeld
Ezelsbruggetje
Werkwoord: maken Stam: maak Verleden tijd: ik maakte
Oefening: regelmatige werkwoorden
Zet deze werkwoorden in de verleden tijd: 1. spelen 2. werken 3. reizen 4. lachen Schrijf ze op!
Controleer je antwoorden
1. speelde 2. werkte 3. reisde 4. lachte
Wat zijn onregelmatige werkwoorden?
Onregelmatige werkwoorden veranderen wél van vorm in de verleden tijd. Je moet deze onthouden.
Enkele voorbeelden
was/waren had/hadden ging/gingen kwam/kwamen
Verleden tijd
Zijn Hebben Gaan Komen
Werkwoord
Oefening: vul in
Maak de zinnen af: 1. Gisteren ____ ik ziek. (zijn) 2. Mijn oma ____ naar het park. (gaan) 3. We ____ veel plezier. (hebben)
Antwoorden
1. was 2. ging 3. hadden
Tips voor onthouden
Maak flitskaartjes van de onregelmatige werkwoorden en oefen elke dag 5 minuten.
Automatiseren: snelle quiz
Lees een werkwoord. Zeg direct de verleden tijd. Bijvoorbeeld: zien → zag. Laten we oefenen!
Reflectie: wat vond je lastig?
Deel in groepjes welk onderdeel je nog moeilijk vindt en waarom.
Afronding en vragen
Wie heeft er nog vragen? Onthoud: veel oefenen maakt het makkelijker!
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.