Schooltaalwoorden helder uitgelegd!
Schooltaalwoorden helder uitgelegd!
Planning
1e uur:
leeskwartier
weektaak (huiswerk) controleren en nakijken
2e uur:
Schooltaalwoorden van vorige week oefenen
3e en 4e uur:
grammatica met mevrouw Ans
5e uur:
Opdracht met nieuwe schooltaalwoorden
Leerdoel van deze les
Aan het eind van deze les kun je vijftien veelgebruikte schooltaalwoorden herkennen, uitleggen en toepassen in een zin.
Flash cards spel 1
In groepjes van +/- 3
Gebruik een stapel flashcards.
1 persoon leest de betekenis van het woord voor.
De anderen moeten zeggen welk woord het is.
Nu gaat iemand anders voorlezen.
Ga door tot alle kaartjes op zijn.
minute
second
Flash cards spel 2
Lees nu alleen het woord voor.
De anderen moeten uitleggen wat het woord betekent.
Ga door tot alle kaartjes op zijn.
minute
second
Flash cards spel 3
1 persoon pakt een kaartje.
Schrijf samen een zin met het woord.
minute
second
Zelfstandig werken
Schooltaalwoorden les 10 | Quizlet
Schooltaalwoorden, les 1 t/m 10 | Quizlet
Maak opdr. 5 t/m 9 van woordenschat.
Schooltaalwoorden van deze week
schematisch
aantreffen
benoemen
verhelderen
ordenen
uitvoeren
afstemmen
in te zetten
signaleren
toelichten.
onderscheiden
vaststellen
afleiden
onderling
uiteindelijk
Schrijf de woorden in je schrift.
Leren werken met informatie
In de onderbouw leren leerlingen steeds beter omgaan met informatie uit verschillende bronnen. Daarbij is het belangrijk dat zij informatie niet alleen lezen, maar ook schematisch kunnen weergeven. Een schema helpt om hoofd- en bijzaken te ordenen en maakt complexe informatie overzichtelijk.
Bij het bestuderen van een tekst kun je belangrijke begrippen aantreffen die uitleg nodig hebben. Het is dan verstandig om deze begrippen te benoemen en vervolgens de betekenis te verhelderen. Door informatie logisch te ordenen, ontstaat er meer inzicht in het onderwerp.
Wanneer leerlingen een opdracht moeten uitvoeren, is het belangrijk dat zij hun aanpak goed afstemmen op het doel van de taak. Soms is het nodig om voorbeelden in te zetten om een uitleg duidelijker te maken. Tijdens dit proces kan een docent fouten signaleren en de leerling vragen om zijn antwoord verder te toelichten.
Door informatie te vergelijken, leren leerlingen verschillen onderscheiden. Op basis van gegevens kunnen zij conclusies trekken en vaststellen wat de belangrijkste punten zijn. Uit grafieken en tabellen kunnen leerlingen vaak trends afleiden, vooral wanneer de informatie overzichtelijk is weergegeven.
In groepsopdrachten bespreken leerlingen hun ideeën vaak onderling. Daarbij kan het gebeuren dat zij het niet meteen eens zijn, maar uiteindelijk komen zij meestal tot een gezamenlijk antwoord dat goed onderbouwd is.
Opdracht 1: Zoek de woorden in de tekst en markeer ze.
Leren werken met informatie
In de onderbouw leren leerlingen steeds beter omgaan met informatie uit verschillende bronnen. Daarbij is het belangrijk dat zij informatie niet alleen lezen, maar ook schematisch kunnen weergeven. Een schema helpt om hoofd- en bijzaken te ordenen en maakt complexe informatie overzichtelijk.
Bij het bestuderen van een tekst kun je belangrijke begrippen aantreffen die uitleg nodig hebben. Het is dan verstandig om deze begrippen te benoemen en vervolgens de betekenis te verhelderen. Door informatie logisch te ordenen, ontstaat er meer inzicht in het onderwerp.
Wanneer leerlingen een opdracht moeten uitvoeren, is het belangrijk dat zij hun aanpak goed afstemmen op het doel van de taak. Soms is het nodig om voorbeelden in te zetten om een uitleg duidelijker te maken. Tijdens dit proces kan een docent fouten signaleren en de leerling vragen om zijn antwoord verder te toelichten.
Door informatie te vergelijken, leren leerlingen verschillen onderscheiden. Op basis van gegevens kunnen zij conclusies trekken en vaststellen wat de belangrijkste punten zijn. Uit grafieken en tabellen kunnen leerlingen vaak trends afleiden, vooral wanneer de informatie overzichtelijk is weergegeven.
In groepsopdrachten bespreken leerlingen hun ideeën vaak onderling. Daarbij kan het gebeuren dat zij het niet meteen eens zijn, maar uiteindelijk komen zij meestal tot een gezamenlijk antwoord dat goed onderbouwd is.
Slide titel
a. aan het einde, na alles wat is gebeurd of besproken.
b. dingen op een goede volgorde zetten of in groepen plaatsen.
c. duidelijk maken, zodat iemand het beter begrijpt.
d. tussen elkaar, bijvoorbeeld als leerlingen iets samen bespreken.
e. opmerken dat er iets goed of fout gaat.
f. gebruiken om iets duidelijker of beter te maken.
g. vinden of tegenkomen in een tekst of opdracht.
h. doen wat er gevraagd wordt in een opdracht of taak.
i. op een duidelijke manier tekenen of tekenen in een schema, zodat je makkelijk ziet wat belangrijk is.
j. verschillen zien tussen twee of meer dingen.
k. een woord zeggen bij iets, bijvoorbeeld een begrip of een onderdeel van een schema.
l. zeker weten of bepalen wat iets is.
m. uitleggen of extra informatie geven zodat het begrijpelijk wordt.
n. zorgen dat iets past bij het doel of bij iemand anders.
o. informatie uit een tekst of grafiek gebruiken om een conclusie te maken.
Opdracht 2: Zoek de juiste betekenis bij de woorden.
💡Tip: Lees de zin met het woord goed, lees ook de zin ervoor en de zin erna.
Slide titel
a. aan het einde, na alles wat is gebeurd of besproken – uiteindelijk
b. dingen op een goede volgorde zetten of in groepen plaatsen – ordenen
c. duidelijk maken, zodat iemand het beter begrijpt – verhelderen
d. tussen elkaar, bijvoorbeeld als leerlingen iets samen bespreken – onderling
e. opmerken dat er iets goed of fout gaat – signaleren
f. gebruiken om iets duidelijker of beter te maken – in te zetten
g. vinden of tegenkomen in een tekst of opdracht – aantreffen
h. doen wat er gevraagd wordt in een opdracht of taak – uitvoeren
i. op een duidelijke manier tekenen of weergeven in een schema, zodat je makkelijk ziet wat belangrijk is – schematisch
j. verschillen zien tussen twee of meer dingen – onderscheiden
k. een woord zeggen bij iets, bijvoorbeeld een begrip of een onderdeel van een schema – benoemen
l. zeker weten of bepalen wat iets is – vaststellen
m. uitleggen of extra informatie geven zodat het begrijpelijk wordt – toelichten
n. zorgen dat iets past bij het doel of bij iemand anders – afstemmen
o. informatie uit een tekst of grafiek gebruiken om een conclusie te maken – afleiden
Opdracht 2: Zoek de juiste betekenis bij de woorden.
Zelfstandig werken
Schooltaalwoorden les 10 | Quizlet
Schooltaalwoorden, les 1 t/m 10 | Quizlet
Maak opdr. 5 t/m 9 van woordenschat.
1. schematisch
Betekenis: In stappen of in een overzicht laten zien.
Voorbeeldzin: De docent legde het proces schematisch uit op het bord.
Woordwolk: schema, overzicht, duidelijk.
2. aantreffen
Betekenis: Iets ergens vinden.
Voorbeeldzin: In de bron tref je belangrijke informatie aan.
Woordwolk: vinden, ontdekken, locatie.
3. uitvoeren
Betekenis: Een plan of opdracht doen.
Voorbeeldzin: De leerlingen voeren het experiment uit.
Woordwolk: doen, toepassen, opdracht, praktijk.
4. inzetten
Betekenis: Iets gebruiken om een doel te bereiken.
Voorbeeldzin: De leerling zette voorbeelden in om zijn antwoord te versterken.
Woordwolk: gebruiken, toepassen, doel, strategie, middel.
5. signaleren
Betekenis: Opmerken dat iets gebeurt.
Voorbeeldzin: De docent signaleerde een fout in de redenering.
Woordwolk: zien, opmerken, herkennen, observeren.
6. toelichten
Betekenis: Extra uitleg geven.
Voorbeeldzin: Kun je je antwoord kort toelichten?
Woordwolk: uitleg geven, verduidelijken, verklaren.
7. ordenen
Betekenis: Dingen in een logische volgorde zetten.
Voorbeeldzin: De leerling ordende de informatie per alinea.
Woordwolk: structuur, volgorde, overzicht.
8. vaststellen
Betekenis: Beslissen dat iets zo is.
Voorbeeldzin: De docent stelde vast dat het antwoord correct was.
Woordwolk: bepalen, besluiten, resultaat, concluderen.
9. onderscheiden
Betekenis: Verschil zien tussen dingen.
Voorbeeldzin: Je moet hoofd- en bijzaken onderscheiden.
Woordwolk: verschil, vergelijken, scheiden, herkennen.
10. benoemen
Betekenis: Iets met woorden zeggen of aanwijzen.
Voorbeeldzin: Benoem twee oorzaken van deze gebeurtenis.
Woordwolk: noemen, aanduiden, formuleren, uitleg.
11. afstemmen
Betekenis: Iets aanpassen aan iets anders.
Voorbeeldzin: De docent stemt het niveau af op de klas.
Woordwolk: aanpassen, passend, rekening houden, afwegen.
12. verhelderen
Betekenis: Iets duidelijker maken.
Voorbeeldzin: Het voorbeeld verheldert de uitleg.
Woordwolk: duidelijk, inzichtelijk, uitleg, helder.
13. uiteindelijk
Betekenis: Na alles wat ervoor kwam.
Voorbeeldzin: Uiteindelijk kwam de klas tot dezelfde conclusie.
Woordwolk: eind, slot, resultaat, conclusie.
14. afleiden
Betekenis: Informatie halen uit wat je ziet of leest.
Voorbeeldzin: Uit de grafiek kun je trends afleiden.
Woordwolk: concluderen, interpreteren, begrijpen.
15. onderling
Betekenis: Met elkaar; tussen mensen of dingen.
Voorbeeldzin: De leerlingen bespraken de antwoorden onderling.
Woordwolk: samen, met elkaar, groep, interactie.
Waarom zijn deze woorden belangrijk?
Met schooltaalwoorden begrijp je instructies, opdrachten en teksten sneller en beter.
Test jezelf!
Opdracht
Kies drie schooltaalwoorden en gebruik deze in een eigen zin.
Kijk nog eens naar de voorbeeldzinnen voor inspiratie.
Tip
Reflectie
Welke schooltaalwoorden kende je al? Welke waren nieuw voor jou?