KERN havo 4 paragraaf 4 Hoe kinderen taal leren

   Taalverwerving
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

   Taalverwerving

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
- Je weet hoe het taalverwervingsproces bij kinderen verloopt en welke opvattingen er zijn over taalverwerving.
- Je kan verschillende fases in het taalverwervingsproces en verschillende opvattingen over taalverwerving herkennen en toelichten.
- Je kan voorbeelden bedenken van talige uitingen die passen binnen een bepaalde fase van het taalverwervingsproces en de verschillende opvattingen over taalverwerving verklaren en beoordelen.

Slide 2 - Tekstslide

Hoe kinderen taal leren

Slide 3 - Tekstslide

Het taalvermogen is volgens mij
aangeboren
aangeleerd
allebei

Slide 4 - Poll

Slide 5 - Video

Baby's horen
  • ritme
  • veelvoorkomende spraakklanken

Slide 6 - Tekstslide

Taalverwerving
De eerste taal die je leert, is je moedertaal.

Je hebt het Nederlands verworven.

Het kost de meeste kinderen vier jaar om hun moedertaal te verwerven. 

Slide 7 - Tekstslide

Fases in de taalverwerving
 1. Voortalige periode (0 – 1)
 2. Vroegtalige periode (1 – 2,5)
 3. Differentiatiefase (2,5 – 5)
 4. Voltooiingsfase (5 – 9)

Slide 8 - Tekstslide

De voortalige periode (0-1)
Fonologische vaardigheden
In de voortalige periode leren baby’s de klanken die belangrijk zijn in hun moedertaal. Nederlandse baby’s leren bijvoorbeeld het verschil herkennen tussen de L en de R. Japanse baby’s leren juist andere klankcontrasten herkennen.
Aan het einde van deze eerste fase gaan baby’s zelf klanken maken: ze gaan brabbelen (brabbelfase)

Slide 9 - Tekstslide

De voortalige periode (0-1)
De voortalige periode (26 weken vanaf conceptie - 1 jaar) het kind leert:
- de taal herkennen;
- klanken herkennen;
- klanken verstaan
- klanken uitspreken.

Slide 10 - Tekstslide

De vroegtalige periode (1 - 2,5)
Kinderen zeggen hun eerste echte woordje, vaak mama of papa.
Al snel komen daar meer losse woordjes bij, als auto! of poes!
De eerste (korte) zinnetjes hebben meteen de goede woordvolgorde: koekje eten (niet: eten koekje).

Slide 11 - Tekstslide

De vroegtalige periode (1 - 2,5)
Semantische vaardigheden: betekenis van de gesproken taal

Syntactische vaardigheden: grammaticale regels

Slide 12 - Tekstslide

De vroegtalige periode (1 - 2,5)
Van 1 jaar tot 2,5 jaar. Het kind leert...
- dat klanken een betekenis hebben;
- woorden (éénwoordfase);
- woorden combineren (twee- en meerwoordfase);
- de goede woordvolgorde.


Slide 13 - Tekstslide

De differentiatiefase (2,5 - 5)
Kinderen maken langere zinnen met meer werkwoorden: 
Jij gaat ook altijd weglopen soms 
Ik doe jou aanbotsen.

Kinderen gaan nadenken over taal. 
Een oma is geen meisje, maar een meis, want ‘–je’ hoort bij kleine dingen en oma is niet klein… Kortom: ze gaan logische fouten maken.


Slide 14 - Tekstslide

De differentiatiefase (2,5 - 5)
Kinderen springen van de hak op de tak, beginnen over zaken en mensen die de gesprekspartner niet kent, lopen tijdens het gesprek zomaar weg etc.

Kinderen bedenken creatieve woorden, als zij het woord nog niet kennen:
Ik heb haarpijn.
Papa's geheugenkies is eruit.

Slide 15 - Tekstslide

De differentiatiefase (2,5 - 5)
Morfologische vaardigheden: werkwoorden en andere woordsoorten verbuigen

Overgeneralisatie: net geleerde taalregels toepassen op woorden waarbij dat niet hoort.

Metalinguïstisch bewustzijn: nadenken over de zin en onzin van taal

Slide 16 - Tekstslide

De differentiatiefase (2,5 - 5)
Tussen 2,5 en 5 jaar verbetert de taal verder.
- De zinnen worden langer.
- De woordenschat breidt zich snel uit.
- De peuter leert werkwoorden vervoegen.
- Het kind leert samenstellingen (huisdeur).
- De kleuter leert nadenken over taal. 

Slide 17 - Tekstslide

De voltooiingsfase (5 - 9)
Kinderen leren op school lezen en schrijven.
Kinderen leren steeds meer woorden en woordsoorten.
Kinderen leren sterke werkwoorden vervoegen (loop/liep/gelopen).
Kinderen weten hoe je een gesprek moet voeren.
Kinderen leren inschatten wat de luisteraar weet, zodat ze niet te veel en niet te weinig informatie geven!

Slide 18 - Tekstslide

De voltooiingsfase (5 - 9)
Pragmatische vaardigheden: wat effectief, begrijpelijk en passend taalgebruik is.

Kritische periode: de eerste levensjaren lijken de periode om taal te leren.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Link

Kritieke periode
Wat gebeurt er als je geen taal aangeleerd krijgt? De theorie is dat er een kritieke periode is waarin je taal aangeleerd moet krijgen. Als je in die periode geen taal aangeleerd wordt, dan zul je daarna nooit meer de taal leren. Het is een theorie, omdat mensen niet vrijwillig kinderen onthouden van taal.

Toch zijn er praktijkvoorbeelden van kinderen die geen taal aangeleerd hebben gekregen. Dit worden ook wel wolfskinderen genoemd.  

Slide 21 - Tekstslide

Taalvermogen behavioristen
Behaviorisme: wetenschappelijke stroming
Taalleren is een kwestie van imitatie.

De taalomgeving is vooral belangrijk bij het verwerven van taal.

Slide 22 - Tekstslide

Universele grammatica
Noam Chomsky
Universele grammatica
Taal is te complex om aan te leren door immitatie.
Taalvermogen is aangeboren.
Parameters: gedeelde grammaticaregels

Slide 23 - Tekstslide

Cognitieve taalkunde
Sociaal instinct is de belangrijkste factor bij taalverwerving.

Volgens de cognitieve taalkunde is het taalaanbod niet beperkt en is ons vermogen om patronen te herkennen enorm geavanceerd.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Video

Doelen
- Je weet hoe het taalverwervingsproces bij kinderen verloopt en welke opvattingen er zijn over taalverwerving.
- Je kan verschillende fases in het taalverwervingsproces en verschillende opvattingen over taalverwerving herkennen en toelichten.
- Je kan voorbeelden bedenken van talige uitingen die passen binnen een bepaalde fase van het taalverwervingsproces en de verschillende opvattingen over taalverwerving verklaren en beoordelen.

Slide 26 - Tekstslide