toetsje grammatica

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Klassenregels

Je hebt een actieve werkhouding en je zorgt dat je huiswerk in orde is.
Je hebt altijd je leesboek en leerwerkboek mee.
Je eet en drinkt niet tijdens de les.
Je mobiel is uit het zicht, anders wordt deze ingenomen.
De Ipad ligt plat op tafel, tenzij aangegeven wordt dat er mee wordt gewerkt.
Je bent respectvol naar de docent en naar elkaar.

Slide 2 - Tekstslide

Lesopzet:
voorlezen
toetsje grammatica
starten spelling

Slide 3 - Tekstslide

Doel herhalen persoonsvorm, zinsdelen
ww.gezegde, onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bijwoordelijke bepaling

Slide 4 - Tekstslide

Ik heb een mooie hond.
persoonsvorm (pv)?
A
Ik
B
heb
C
mooie
D
hond

Slide 5 - Quizvraag

Haar naam is Birei.
pv?
A
Haar
B
naam
C
is
D
Birei

Slide 6 - Quizvraag

Ze is drie jaar oud.
pv=
A
Ze
B
is
C
drie jaar
D
oud

Slide 7 - Quizvraag

We hebben haar bij een fokker in Lansmeer gekocht.
pv=
A
We
B
hebben
C
een fokker
D
Lansmeer

Slide 8 - Quizvraag

Ze is een Japanse Akita.
pv=
A
Ze
B
is
C
een
D
Japanse Akita

Slide 9 - Quizvraag

Spelen vindt ze erg leuk.
pv=
A
Spelen
B
vindt
C
ze
D
erg leuk

Slide 10 - Quizvraag

Ze komt uit een nest met zeven puppy's.
pv=

A
Ze
B
komt
C
uit een nest
D
met zeven puppies

Slide 11 - Quizvraag

Welke zin is goed in zinsdelen verdeeld?
A
Ze/ komt/ uit een nest met zeven puppy's.
B
Ze komt/ uit een nest met zeven puppy's.
C
Ze komt/ uit een nest/ met zeven puppy's.
D
Ze komt uit een nest/met zeven puppy's.

Slide 12 - Quizvraag

Welke zin is goed in zinsdelen verdeeld?
A
Ze/ is /erg /gegroeid.
B
Ze is/ erg/ gegroeid.
C
Ze is erg/ gegroeid.
D
Ze/ is/ erg gegroeid.

Slide 13 - Quizvraag

Werkwoordelijk gezegde=alle werkwoorden in de zin.
Mijn moeder heeft voor de visite een cake gebakken.
A
Mijn moeder
B
heeft
C
heeft gebakken
D
een cake

Slide 14 - Quizvraag

De heksen toveren de prins om in een kikker.
ww.gezegde=
A
De heksen
B
toveren
C
toveren de prins
D
in een kikker

Slide 15 - Quizvraag

Heeft Tom die kartonnen doos hier neergezet?
ww.gez.=
A
Heeft
B
Heeft neergezet
C
die kartonnen
D
doos

Slide 16 - Quizvraag

Mijn broertje ruimt nooit zijn spullen op.
A
Mijn broertje
B
ruimt
C
ruimt zijn spullen op
D
ruimt op

Slide 17 - Quizvraag

Onderwerp= wie of wat + gezegde (werkwoorden)

Slide 18 - Tekstslide

Ik speel klarinet en saxofoon.
Onderwerp=
A
Ik
B
speel
C
klarinet
D
saxofoon

Slide 19 - Quizvraag

Vroeger heb ik gevoetbald en paardgereden.
Onderwerp=
A
Vroeger
B
heb
C
ik
D
gevoetbald en paardgereden

Slide 20 - Quizvraag

Mijn lievelingspaard heette Pablo.
Onderwerp=
A
Mijn
B
lievelingspaard
C
Mijn lievelingspaard
D
Pablo

Slide 21 - Quizvraag

Mijn favoriete voetbalclubs zijn Ajax en Bayern München.
Ond.=
A
Mijn favoriete voetbalclubs
B
zijn
C
Ajax
D
Bayern München

Slide 22 - Quizvraag

Slide 23 - Link

De bakker heeft de broden alsnog kunnen verkopen.
lijdend voorwerp:
A
De bakker
B
heeft
C
de broden
D
kunnen verkopen

Slide 24 - Quizvraag

Tijdens de ouderavond krijgen alle ouders koffie of thee.
lijdend voorwerp=
A
Tijdens de ouderavond
B
krijgen
C
alle ouders
D
koffie of thee

Slide 25 - Quizvraag

Sinds wanneer heeft elke voetballer een nieuw t-shirt?
Lijdend voorwerp=
A
Sinds wanneer
B
heeft
C
elke voetballer
D
een nieuw t-shirt

Slide 26 - Quizvraag

In de zomer heeft mijn tante een opblaaszwembadje gekocht.
lijdend voorwerp=
A
In de zomer
B
heeft
C
mijn tante
D
een opblaaszwembadje

Slide 27 - Quizvraag

Meewerkend voorwerp:
voor/aan wie/wat?
Hij geeft een glas drinken aan hem.
A
Hij
B
geeft
C
een glas drinken
D
aan hem

Slide 28 - Quizvraag

Zij geeft aan Jesse een zonnebril.
meewerkend voorwerp=
A
Zij
B
geeft
C
aan Jesse
D
een zonnebril

Slide 29 - Quizvraag

Lauren geeft haar ouders een bos bloemen.
meewerkend voorwerp=
A
Lauren
B
geeft
C
haar ouders

Slide 30 - Quizvraag

Afronding grammatica
Is de grammatica duidelijk?
Zijn er kinderen die nog ergens moeite mee hebben?

Slide 31 - Tekstslide

Start spelling
Op Ipad
maken tot en met opgave 

Slide 32 - Tekstslide