Overtuigende teksten schrijven > Ameland

Overtuigende teksten schrijven
Ameland
stap 20
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quiz, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Overtuigende teksten schrijven
Ameland
stap 20

Slide 1 - Tekstslide

Na deze les:
* Ken je het verschil tussen een objectieve en een subjectieve tekst.
* Kun je objectieve en subjectieve argumenten (redenen) bij je standpunt geven.
* Kun je betrouwbare informatie van internet selecteren.
* Kun je een overtuigende tekst schrijven.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Objectieve en subjectieve teksten
Je hebt geleerd dat een tekst feiten of meningen kan bevatten.
Een tekst is objectief of subjectief.
Objectieve tekst
Subjectieve tekst
feiten
mening van de schrijver
informerende, uiteenzettende teksten
aansporende, activerende teksten
wat de schrijver zegt, moet neutraal en controleerbaar zijn
wat de schrijver zegt, is persoonlijk

Slide 4 - Tekstslide



De tekst die bij de vragen in deze les hoort, vind je in de drive in het mapje van jouw Waddeneiland.
Kijk bij week 2.

Slide 5 - Tekstslide

Lees de tekst "Agenten beuken verkeerde deur in". Het is een nieuwsbericht.
Neem de tekst hieronder over, maar laat de subjectieve (persoonlijke) woorden weg. Zo houd je een objectieve, neutrale tekst over.

Slide 6 - Open vraag

Argumenten
Een mening is wat iemand van iets of iemand vindt. Om zijn mening goed duidelijk te maken en lezers over te halen of te overtuigen, gebruikt een schrijver argumenten. Dat zijn redenen waarom je iets vindt.
Argumenten kunnen objectief of subjectief zijn.

Je kunt je publiek het best overtuigen met objectieve argumenten. Subjectieve argumenten zijn persoonlijker. Je kunt ze gebruiken om de argumenten die je al geeft, te versterken.

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld
Stelling: Ik vind dat de binnenstad moet worden afgesloten voor auto's.
Argumenten (voor de stelling):
* Uit metingen blijkt dat auto's de lucht in de binnenstad ernstig vervuilen met schadelijke stoffen. (objectief: dit is een feit, deze informatie kun je controleren)
* Er zijn niet genoeg parkeerplaatsen voor alle auto's. (objectief)
* Al die auto's in de binnenstad is een lelijk gezicht. (subjectief: dit is een mening)
* De meeste automobilisten hebben geen belangrijke dingen in de stad te doen en kunnen net zo goed de fiets nemen. (subjectief)

Slide 8 - Tekstslide

Informatie selecteren
Op internet kun je veel informatie vinden, ook argumenten bij een stelling. Maar niet alle informatie die je vindt, is geschikt. Gebruik alleen betrouwbare informatie.

Als je betrouwbare informatie hebt gevonden, schrijf deze dan niet letterlijk over. Geef de informatie in je eigen woorden weer.

Slide 9 - Tekstslide

Informatie op betrouwbaarheid controleren
Om erachter te komen of een website en de informatie erop betrouwbaar zijn, moet je voor jezelf de volgende vragen stellen:
1) Wie heeft de informatie op het internet gezet? Is de schrijver een deskundige op het gebied van het onderwerp?
2) Wat is het doel van de informatie? Wil de schrijver je informeren, overtuigen of overhalen?
Informerende teksten zijn het betrouwbaarst.
3) Is de informatie niet verouderd?
4) Staan er weinig tot geen spelfouten in de tekst?

Slide 10 - Tekstslide

Schrijfopdracht
In een praatprogramma op televisie hoor je iemand zeggen dat jongeren die een overtreding begaan geen boete zouden moeten krijgen, maar een taakstraf. Jij vindt dit een interessante stelling en besluit er een weblog over te schrijven.

Slide 11 - Tekstslide

Opdracht 1:
a) Maak een document aan om de opdrachten in uit te voeren.
b) Zet je naam in de titel van het document.
c) Deel je document met je docent.

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 2:
a) Bepaal je standpunt.
b) Bedenk twee objectieve argumenten (redenen).
c) Bedenk een subjectief argument.
d) Verzamel betrouwbare informatie op internet die je argumenten ondersteunt.

Slide 13 - Tekstslide

Opdracht 3:
Maak een schrijfplan zoals besproken tijdens de instructie.

Je vindt een leeg schrijfplan dat je kunt overnemen en invullen bij week 2 in de map van jouw Waddeneiland.

Slide 14 - Tekstslide

Opdracht 4:
Bedenk wat je in de inleiding en in het slot gaat schrijven. Schrijf dit in een paar woorden op.

Slide 15 - Tekstslide

Opdracht 5:
Maak een kladversie van je tekst. Gebruik hierbij je schrijfplan.

Slide 16 - Tekstslide

Opdracht 6:
a) Lees je tekst goed door.
Let hierbij op werkwoordspelling, hoofdletters, punten en komma's en de spelling van andere (moeilijke) woorden die je misschien al wel in de testen van www.beterspellen.nl hebt gezien.
b) Controleer of je tekst klopt met je schrijfplan.
c) Herschrijf je tekst als dat nodig is.

Let op: Volgende week ga je een tekst van een groepsgenoot nakijken en van feedback voorzien.

Slide 17 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?
* Je kent het verschil tussen een objectieve en een subjectieve tekst.
* Je kunt objectieve en subjectieve argumenten (redenen) bij je standpunt geven.
* Je kunt betrouwbare informatie van internet selecteren.
* Je kunt een overtuigende tekst schrijven.

Slide 18 - Tekstslide

Wat bereid je voor voor de volgende les?
Je zorgt ervoor dat je tekst vóór het volgende instructiemoment af is.

Verder hoef je niets voor te bereiden :)

Slide 19 - Tekstslide