Blok 4: Schrijven

Blok 4: Schrijven
Feit, mening, objectief, subjectief
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Blok 4: Schrijven
Feit, mening, objectief, subjectief

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
- Bepaal je standpunt over een onderwerp en geef argumenten.
- Bepaal het tekstdoel van een tekst.
- Schrijf een objectieve tekst en een subjectieve tekst.
- Selecteer betrouwbare informatie op internet over een gegeven onderwerp. 
- Maak een schrijfplan met informatie over het onderwerp, de deelonderwerpen, het tekstdoel en het publiek van een tekst.
- Schrijf op basis van je schrijfplan en feedback van een klasgenoot een betogende tekst. 
- Bedenk een pakkende inleiding en slot voor je tekst.
- Reflecteer op het werk van een klasgenoot.
- Reflecteer op de schrijfopdrachten.

Slide 2 - Tekstslide

Feit, mening, objectief en subjectief


Als je een informerende tekst schrijft, zoals een nieuwsbericht, dan moet je ervoor zorgen dat deze objectief is. Wat je zegt, is neutraal en moet controleerbaar zijn. Je mag alleen maar feiten noemen en je eigen mening mag er niet in voorkomen.
Als je een overtuigende tekst schrijft, zoals een ingezonden brief of een weblog, dan geef je juist wél je mening. Zo’n tekst is subjectief of persoonlijk.

Slide 3 - Tekstslide

Argumenten
Om je publiek ergens van te overtuigen, geef je argumenten (redenen) bij je standpunt. Die argumenten kunnen objectief of subjectief zijn.

voorbeeld
Stelling: Ik vind dat de binnenstad moet worden afgesloten voor auto’s.
Argumenten (voor):

Uit metingen blijkt dat auto’s de lucht in de binnenstad ernstig vervuilen met schadelijke stoffen. (objectief: dit is een feit, deze informatie kun je controleren)
Er zijn niet genoeg parkeerplaatsen voor alle auto’s. (objectief)
Al die auto’s in de binnenstad is een lelijk gezicht. (subjectief: dit is een mening)
De meeste automobilisten hebben geen belangrijke dingen in de stad te doen en kunnen net zo goed de fiets nemen. (subjectief)

Slide 4 - Tekstslide

Argumenten
Je kunt je publiek het best overtuigen met objectieve argumenten. Subjectieve argumenten zijn persoonlijker. Je kunt ze gebruiken om de argumenten die je al geeft te versterken.

Slide 5 - Tekstslide

Informatie selecteren


Op internet kun je veel informatie vinden, ook argumenten bij een stelling. Maar niet alle informatie die je vindt, is geschikt. Gebruik alleen betrouwbare informatie.

Is de informatie op internet betrouwbaar?
- Wie heeft de informatie op internet gezet? Is de schrijver een deskundige op het gebied van het onderwerp?
- Wat is het doel van de informatie? Wil de schrijver je informeren, overtuigen of overhalen? (Informerende teksten zijn het betrouwbaarst.)
- Is de informatie niet verouderd?
- Staan er weinig tot geen spelfouten in de tekst?

Als je betrouwbare informatie hebt gevonden, schrijf deze dan niet letterlijk over. Geef de informatie in je eigen woorden weer.

Slide 6 - Tekstslide

Schrijfplan
Als voorbereiding op het schrijven kun je een schrijfplan maken. In een schrijfplan vul je in wat het onderwerp, het publiek en het tekstdoel van je tekst zijn. Dan schrijf je van elke alinea het deelonderwerp op. Daarachter schrijf je in steekwoorden de informatie die je hebt gevonden.


Het schrijven van de alinea’s is nu niet moeilijk meer:

Schrijf de belangrijkste zin aan het begin of aan het eind van de alinea.
Schrijf de woorden onder aanvullende informatie in goede zinnen uit.

Slide 7 - Tekstslide

Voorbeeld:
Schrijfplan bij het onderwerp vuurwerk
onderwerp: vuurwerk
publiek: leerlingen uit de tweede klas
tekstdoel: overtuigen
hoofdgedachte: Vuurwerk mag alleen op een vooraf aangewezen plek buiten de stad door de brandweer worden afgestoken.

Slide 8 - Tekstslide

Wat past waar? Feit of mening?
Feit
Mening
Feit
Mening
Feit
Mening

Slide 9 - Sleepvraag

Informatie geven
Advies geven
Feit
Mening
Objectief
Subjectief

Slide 10 - Sleepvraag

Veel succes!

Slide 12 - Tekstslide