KOM-dag BE

KOM-dag BE
Welkom bij proefles Bedrijfseconomie
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
RetailMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

KOM-dag BE
Welkom bij proefles Bedrijfseconomie

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
- Wat is omzet? 
- Wat is afzet
- Wat zijn kosten? 
- Wat is de nettowinst? 

Slide 2 - Tekstslide

Wat is bedrijfseconomie? 
Bedrijfseconomie gaat over hoe een bedrijf werkt met geld.
Het is eigenlijk leren hoe een bedrijf kan verdienen, uitgeven en sparen.

Slide 3 - Tekstslide

Voorbeeld: 
Stel je voor dat jij een limonadekraam hebt.
Bij bedrijfseconomie leer je dan:
1. Hoeveel verkoop je? (in stuks heet dat afzet)
2. Hoeveel geld krijg je binnen? (in geld is dat omzet)
3. Wat kost het jou? (Exploitatiekosten)
4. Wat hou je over? (Nettowinst)

Slide 4 - Tekstslide

Hoe reken je de omzet uit? 
De omzet reken je uit door het aantal bekers limonade keer de verkoopprijs te doen. 

Slide 5 - Tekstslide

Ik heb 25 bekers limonade verkocht. De klanten betaalden €2,- per beker. hoeveel omzet heb ik gedraaid?
A
€ 25,-
B
€ 100,-
C
€ 2,-
D
€ 50,-

Slide 6 - Quizvraag

De omzet was €50,-. Is dit winst? 

Slide 7 - Tekstslide

Is de € 50,- winst?
A
Ja
B
Nee

Slide 8 - Quizvraag

Inkoopwaarde van de omzet. 
Om de limonade te verkopen heb je kosten gemaakt. Heb je dingen moeten inkopen. Denk aan bekers, limonadesiroop, water en citroenen. Dit gaat natuurlijk van je omzet af. 

Slide 9 - Tekstslide

Inkoopkosten
- Bekers: 25 stuks a € 0,50 
- Limonade: 4 flessen a € 2,- 
Citroenen: € 4,50
- Water: Nihil

Slide 10 - Tekstslide

- Bekers: 25 stuks a € 0,50
- Limonade: 4 flessen a € 2,-
Citroenen: € 4,50
- Water: Nihil
Hoeveel heb ik aan inkoopkosten?
A
€ 12,50
B
€ 8,-
C
€ 25,-
D
€ 20,50

Slide 11 - Quizvraag

Heb ik al winst? 
Je hebt winst.... maar mag je deze winst al gebruiken om iets leuks voor jezelf te kopen?  

NEE!

Slide 12 - Tekstslide

Brutowinst vs Nettowinst
Je hebt € 50,- omzet daar gaat €25,- aan inkoopwaarde vanaf. Dan heb je nog € 25,- euro over. Dit heeft brutowinst.

Slide 13 - Tekstslide

Brutowinst
Brutowinst is het geld dat een bedrijf overhoudt nadat de inkoopkosten van de verkochte producten zijn betaald, maar voordat andere kosten (zoals huur, personeel of reclame) eraf gaan.

Brutowinst = Omzet – Inkoopwaarde van de verkochte producten
€ 25,-            =  € 50,-  -  € 25,-

Slide 14 - Tekstslide

Wanneer heb ik Nettowinst? 
Nettowinst hou je over als je alle kosten eraf haalt. Denk aan huur van de kraam, elektriciteit en promotiemateriaal.
  

Slide 15 - Tekstslide

Brutowinst was € 25,-. De huur van de kraam was € 10,-, elektriciteit €2,- en kosten promotiemateriaal € 5,-. Wat is de nettowinst.
A
€ 17,-
B
€ 5,-
C
€ 8,-
D
€ 7,-

Slide 16 - Quizvraag

Nettowinst
Dus van de €50,- die ik binnen krijg mag ik € 8,- houden om iets leuks van te kopen. 

Slide 17 - Tekstslide

Opdracht uitrekenen Nettowinst

Slide 18 - Tekstslide

Vraag:
Een ondernemer verkoopt sportflessen.

Gegevens:
Afzet: 400 sportflessen
Verkoopprijs per stuk: €12
Inkoopprijs per stuk: €5
Overige kosten: €1.250 (huur, reclame, energie, enz.)

Vraag:
Bereken de nettowinst.




Slide 19 - Tekstslide

Antwoord
Brutowinst
Omzet – inkoopwaarde
€4.800 – €2.000 = €2.800

Nettowinst
Brutowinst – overige kosten
€2.800 – €1.250 = €1.550

Slide 20 - Tekstslide

Dank voor jullie aandacht!

Slide 21 - Tekstslide