PleinM 2KT Cursus 3.2 Hoe verloren vorsten hun macht?

Cursus 3.2
"Hoe verloren vorsten hun macht?"


Hoofdstuk 3 - Wat mag wel en wat mag niet?
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Cursus 3.2
"Hoe verloren vorsten hun macht?"


Hoofdstuk 3 - Wat mag wel en wat mag niet?

Slide 1 - Tekstslide

Hoofdvraag van vandaag:
Hoe verloren vorsten in de tijd van pruiken en revoluties hun macht?
Welke kritiek had het volk?

Slide 2 - Tekstslide

LODEWIJK XVI

Slide 3 - Tekstslide

NAPOLEON

Slide 4 - Tekstslide

WILLEM V

Slide 5 - Tekstslide

VERLICHTING
- Franse Revolutie
- Bataafse Revolutie

Nieuwe ideeën over het bestuur van een land

Slide 6 - Tekstslide

Van welk land was Lodewijk XVI de koning?
A
Engeland
B
Nederland
C
Frankrijk
D
Spanje

Slide 7 - Quizvraag

Wat is volgens jullie een absolute macht?

Slide 8 - Open vraag

Lodewijk regeerde in de 'Tijd van pruiken en revoluties'. Wanneer was dat precies
A
Tussen 1500 en 1600
B
Tussen 1600 en 1700
C
Tussen 1700 en 1800
D
Tussen 1800 en 1900

Slide 9 - Quizvraag

Lodewijk XVI...
...was een absoluut vorst.
...was getrouwd met Marie-Antoinette.
...gaf belachelijk veel geld uit.
...wilde dat het volk heel veel belasting aan hem betaalde.

Slide 10 - Tekstslide

Wat vindt de bevolking van Lodewijk XVI?
A
Ze werden boos en kwamen in opstand
B
Ze vonden het wel prima
C
Ze werden bang en deden alles wat hij zei
D
Zij vonden hun vorst de beste

Slide 11 - Quizvraag

De Franse Revolutie
- Tegenstanders van de koning worden vrijgelaten
- De tegenstanders van de koning (revolutionairen) nemen het bestuur over
- De koning vlucht, maar wordt gepakt
- En wat gebeurt er nu met de koning?

Slide 12 - Tekstslide

Wat gebeurt er met de koning?
A
Hij wordt vermoord
B
Hij wordt opgevolgd door zijn zoon
C
Hij wordt verbannen naar een eiland
D
Hij blijft gewoon aan de macht, maar heeft nu minder macht

Slide 13 - Quizvraag

Koning Lodewijk XVI wordt onthoofd

Maar wie moet er nu de macht krijgen?

Slide 14 - Tekstslide

Onrust in Frankrijk
Wie heeft er nu de macht?
- Een aantal ministers grijpt de macht
- Het leger vecht in Frankrijk om relschoppers tegen te houden

Slide 15 - Tekstslide

Het leger
- Heeft veel macht
- De legeraanvoerder wordt heel populair in Frankrijk

Slide 16 - Tekstslide

NAPOLEON
- Grijpt de macht
- Ontslaat alle ministers
- Wordt uiteindelijk keizer van Frankrijk
- Verovert grote stukken van Europa, maar wordt uiteindelijk verslagen

Slide 17 - Tekstslide

Wat gebeurt er met Napoleon?
A
Hij wordt vermoord
B
Hij wordt opgevolgd door zijn zoon
C
Hij wordt verbannen naar een eiland
D
Hij blijft gewoon aan de macht, maar heeft nu minder macht

Slide 18 - Quizvraag

Goed, dat gebeurde dus allemaal in Frankrijk...

...maar wat gebeurde er eigenlijk in Nederland in die tijd?

Slide 19 - Tekstslide

De Nederlanden
- Ook in de Nederlanden was niet iedereen het eens met de leider.
- Dit was de stadhouder.

Slide 20 - Tekstslide

Patriotten
- Burgers moesten meer macht krijgen!
- Opkomen voor het vaderland
- De stadhouder had veel te veel macht

Slide 21 - Tekstslide

Stadhouder Willem V
De patriotten vochten tegen de stadhouder omdat ze wilden dat het volk meer macht kreeg = democratische revolutie

Slide 22 - Tekstslide

Dat was lastig...
Willem V kreeg hulp van een leger uit Pruisen (Duitsland)
De patriotten kregen hulp van Frankrijk
Bataafse Revolutie
De patriotten wonnen!

Slide 23 - Tekstslide

Willem V werd verslagen
Een Franse koning kwam aan de macht in Nederland.
Prima, want hij zorgde goed voor het volk.

Slide 24 - Tekstslide

VERLICHTING
- Franse Revolutie
- Bataafse Revolutie

Nieuwe ideeën over het bestuur van een land

Slide 25 - Tekstslide

Wat hebben we geleerd?
Je kan nog wat hoger op de scorelijst komen nu!

Slide 26 - Tekstslide

Waarom was het volk zo boos op Lodewijk XVI?
A
Hij gaf veel geld uit
B
Hij wilde dat het volk veel belasting betaalde
C
Hij voerde veel oorlogen
D
Zowel A, B als C zijn goed

Slide 27 - Quizvraag

Lodewijk was een absoluut vorst. Wat betekent dit?
A
Hij was heel duidelijk in wat hij zei
B
Hij had in z'n eentje alle macht
C
Hij had een groot rijk
D
Hij zorgde goed voor het volk

Slide 28 - Quizvraag

Waarmee begon de Franse Revolutie?
A
Met de onthoofding van Lodewijk XVI
B
Toen Napoleon koning van Frankrijk werd
C
Met de bestorming van een gevangenis vol met patriotten
D
Toen Lodewijk XVI naar het buitenland vluchtte

Slide 29 - Quizvraag

Wat was Napoleon voordat hij koning van Frankrijk werd?
A
Minister
B
Legeraanvoeder
C
Kunstenaar
D
Eigenaar van de snoepjesfabriek 'Napoleon'

Slide 30 - Quizvraag

De Bataafse Revolutie was een revolutie die in De Nederlanden plaats vond.
A
Klopt
B
Klopt niet

Slide 31 - Quizvraag

Willem V was de baas in De Nederlanden? Wat was hij precies?
A
Stadhouder
B
Legeraanvoerder
C
Koning
D
Prins

Slide 32 - Quizvraag

Er kwam een Franse Koning in Nederland aan de macht. Waarom vonden Nederlanders dat niet zo erg?
A
Hij schafte de belasting af
B
Hij zorgde goed voor het volk
C
Hij sprak vloeiend Nederlands
D
Hij maakte Nederland vrij van Frankrijk

Slide 33 - Quizvraag

Wat is Verlichting? (hiermee bedoel ik geen lampen en TL-buizen)
A
Het volk kwam in opstand tegen de koning
B
Mensen gingen anders nadenken over de verdeling van macht
C
Koningen gingen zich anders gedragen
D
Er werd heel veel kunst gemaakt

Slide 34 - Quizvraag

Hoofdvraag van vandaag:
Hoe verloren vorsten in de tijd van pruiken en revoluties hun macht?
Welke kritiek had het volk?

Slide 35 - Tekstslide

HUISWERK
Cursus 3.2 lezen en maken

Slide 36 - Tekstslide

Feedback voor mij: Wat vond je van deze les?

Slide 37 - Open vraag