Must/mustn't en irregular verbs 2KGT inventions

Leerdoel
  • Leerling weet verschil tussen must en mustn't
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Leerdoel
  • Leerling weet verschil tussen must en mustn't

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik
Wat hebben wij vorige week gedaan en geleerd?
Met welke vaardigheden hebben wij geoefend?

Slide 2 - Tekstslide

You _____ go there! It is dangerous
A
must
B
mustn't

Slide 3 - Quizvraag

I _____ finish my homework, or my teacher will get angry.
A
must
B
mustn't

Slide 4 - Quizvraag

I _____ help my mother.
A
must
B
mustn't

Slide 5 - Quizvraag

She _____ go there alone, it might be dangerous.
A
must
B
mustn't

Slide 6 - Quizvraag

They _____ prepare for the test, or they will fail
A
must
B
mustn't

Slide 7 - Quizvraag

Must / mustn't
Must = het moet (persoonlijke noodzaak), kan niet anders!
Mustn't = niet moeten / mogen 
let op: Must not betken niet "niet hoeven"!!!!!!!!!!!
Na must/mustn't volgt altijd het HELE WERKWOORD
I mustn't be home late.
We must visit grandma, we haven't seen her in ages!

Slide 8 - Tekstslide

Must / mustn't
Na must/mustn't volgt altijd het HELE WERKWOORD
  • I mustn't be home late.
  • We must visit grandma, we haven't seen her in ages!
  • We mustn't miss the deadline

Slide 9 - Tekstslide

Verleden tijd van "put" =

Slide 10 - Open vraag

Verleden tijd van "stick" =

Slide 11 - Open vraag

Slide 12 - Link

The end of this lessonup
Work on your study planner!

Slide 13 - Tekstslide