Constructive alignment Prinsjesdag 2026

Template ROC Mondriaan
15 september 2026
Constructive Alignment 
Prinsjesdag 2026
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
InformatiemanagementHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Template ROC Mondriaan
15 september 2026
Constructive Alignment 
Prinsjesdag 2026

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je student zakt op het examen. Hij heeft alles gedaan wat je vroeg. Hoe kan dat?
hij heeft te weinig geoefend
hij had een slechte dag
hij heeft nooit geoefend wat er gevraagd werd
het examen was te zwaar
hij was er nooit

Slide 2 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Waartoe dienen lesplanners, periodeplanners, OERen, kwalificatiedossiers, teamplannen, schoolplannen enz?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeeld:
Doel: de student kan een klantgesprek voeren. 
Les: de docent legt uit hoe een klantgesprek werkt, studenten maken aantekeningen. 
Toets: de student voert een klantgesprek met een acteur.

Slide 4 - Tekstslide

Waar zit het gat? De student heeft geluisterd. Straks moet hij dóén. Er is nooit geoefend met het gedrag waarop wel wordt afgerekend. Dit is C.
Zo is het beter:
Doel: ongewijzigd. 
Les: studenten voeren om beurten korte gesprekken, krijgen feedback, doen het opnieuw. 
Toets: ongewijzigd.

Slide 5 - Tekstslide

Zelfde doel, zelfde examen, andere les. Meer is het niet. En het kost je niet meer tijd, alleen een andere invulling van dezelfde 50 minuten.
Constructive Alignment
Constructive alignment betekent: zorgen dat drie dingen op elkaar aansluiten.

Wat je wilt dat de student kan (het leerdoel)
Hoe ga je dat toetsen? (het examen)
Wat je in de les laat doen (de activiteit)


Meer is het niet. 
De naam klinkt ingewikkelder dan het idee.

Slide 6 - Tekstslide

Constructive: de student bouwt kennis op door iets te dóén, niet door het te horen. 
Alignment: de drie sluiten op elkaar aan.

Het uitgangspunt is dat alle onderdelen van het onderwijsproces samenwerken om de beoogde leerresultaten te bereiken.
De simpelste check
Kijk naar het werkwoord in je doel. Staat er "voeren", dan moeten studenten in de les (een gesprek) vóéren — niet lezen, niet luisteren, niet samenvatten. Staat er "analyseren", dan moeten ze analyseren, niet reproduceren. 

Hetzelfde werkwoord in doel, les en toets: dat is alignment in één zin.

Biggs' bekendste zin erover: het gaat er niet om wat de docent doet, maar om wat de student doet.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Template ROC Mondriaan
Wat voegen de lesplanners, periodeplanners, de OER en het KD toe aan Constructive Alignment?
"
"

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Werkvorm: 8 minuten
Pak je lesplanner erbij. Kies drie regels.

Onderstreep het werkwoord in het doel.
Onderstreep wat de student in de les doet.
Onderstreep wat het examen vraagt.

Drie keer hetzelfde werkwoord?

Slide 10 - Tekstslide

Zes minuten zelf, twee minuten inventariseren: wie vond er één die niet klopte? Vraag door op één voorbeeld, niet op alle. Dit is het moment waarop het kwartje valt, dus laat de stilte vallen.
Maar het begint eerder: het KD is geen leerdoel
In het KD staat: "Voert verkoopgesprekken."

Dat is een beroepshandeling. Je kunt er geen les mee ontwerpen en je kunt er niet aan aftekenen. Het zegt niet hoe goed, hoe zelfstandig, of in welke situatie.

Slide 11 - Tekstslide

Het kwalificatiedossier beschrijft wat het beróép vraagt, niet wat de student aan het eind van periode 2 moet kunnen laten zien. Dat verschil moet jij overbruggen. En dat gebeurt vaak niet, want in de planner ziet het er ook zonder die stap keurig uit.
Van werkproces naar leeruitkomst: niveau 2 of 3
Niveau 2: voert een verkoopgesprek met een klant die een duidelijke vraag heeft, volgens het stappenplan van het bedrijf, met een collega in de buurt.

Niveau 3: voert een verkoopgesprek waarin de klant twijfelt of bezwaar maakt, past zelfstandig zijn aanpak aan, en licht achteraf toe waarom hij die keuze maakte.

Zelfde werkproces. Het verschil zit in de situatie, de steun en de eigen verantwoordelijkheid.

Slide 12 - Tekstslide

Precies die drie dingen staan in het KD, in de kolommen complexiteit, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid. Daar zit het onderscheid tussen niveau 2 en 3. Niet in de lijst werkprocessen — die is grotendeels hetzelfde.
Wat er misgaat als je die stap overslaat
Je vult in de lesplanner netjes "B1-K1-W2" in. Het geheel ziet er kloppend uit. Alleen heeft niemand opgeschreven op welk niveau.

Gevolg: 
niveau 2 en niveau 3 krijgen dezelfde les en dezelfde opdracht. Het verschil komt pas boven water bij het examen.

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkvorm 2 (10 minuten, tweetallen)
Pak één werkproces uit jouw KD. 
Schrijf twee leeruitkomsten: één voor niveau 2, één voor niveau 3.

Verander alleen: de situatie, de steun, de zelfstandigheid.

Ruil daarna met een ander tweetal. Kunnen zij zien welke welke is?

Slide 15 - Tekstslide

Als ze het niet kunnen zien, is het onderscheid niet scherp genoeg. Dat is de hele oefening. Eén tweetal laten voorlezen, klassikaal aanscherpen.
Backward design: ontwerpen van achteren naar voren
Wat het is (Wiggins & McTighe, Understanding by Design)

Wat moet de student straks kunnen?
Waaraan zie ik dat hij het kan? → het bewijs, de toets
Pas dán: wat gaan we in de les doen?

De meesten van ons ontwerpen andersom: eerst de lessen die we hebben, dan kijken hoe we die getoetst krijgen.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

"Maar wij mogen het examen van te voren niet inzien"
Iedereen weet inmiddels wél wat er geëxamineerd wordt:

Wat je wél kunt inzien, zonder de casus: 
Het verantwoordingsdocument bij het SPL, AYCL en of ESS instrument — werkprocessen, examenvorm, beoordelingscriteria, weging, cesuur.
Het beoordelingsformulier. 
Het examenplan in de OER.
De uitslagen: op welke criteria zakken studenten structureel?


Slide 17 - Tekstslide

Je hebt de casus niet nodig. Je hebt nodig waar de casus een steekproef uit is: het werkproces, op het juiste niveau, met de bijbehorende criteria. Ontwerp je daarvoor, dan is elk geldig instrument voor dat werkproces haalbaar. Dat is precies de check op slide 14.

Of het verantwoordingsdocument binnen jullie licentie rond mag gaan verschilt per school. Dat is een vraag aan de secretaris van de examencommissie, niet aan de leverancier.
Teaching to the test: examentraining in plaats van onderwijs
Wat het is:
Je oefent niet het beroepsgedrag maar het examenformat. De casus uit het proefexamen, in de volgorde van de rubric, acht keer achter elkaar.

Waarom het bij ons op de loer ligt:
Het examen ligt vast vóór het ontwerp (SPL, ESS). Er zit druk op slagingspercentages. En het werkt: op de korte termijn halen studenten het.

Het probleem:
Het diploma zegt dan niet meer "kan dit beroep uitoefenen", maar "kan dit ene examen".

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het verschil in één vraag
Beide beginnen bij het examen. Daar zit de verwarring.

Backward design gebruikt het examen als bewijs van iets groters: het beroepsgedrag. Dat gedrag oefen je in wisselende situaties. Teaching to the test maakt het examen zelf het doel. Je oefent de vorm.

De check: als het examen morgen vervangen wordt door een ander instrument voor hetzelfde werkproces — halen jouw studenten het dan nog?

Ja → backward design. Nee → je hebt examentraining gegeven.

Slide 19 - Tekstslide

Dit is de enige vraag die je nodig hebt. Hij is ook oncomfortabel, want bij een deel van onze vakken weten we het antwoord.
Wel en niet
Mag, en moet zelfs
Studenten vertellen wat het examen vraagt en welke criteria gelden. Daar hebben ze recht op.
Het format één keer oefenen, zodat de vorm hen niet verrast.
De beroepshandeling oefenen in vijf verschillende situaties, waarvan er één op het examen lijkt.

Mag niet
De examencasus gebruiken als lesmateriaal.
Alleen oefenen wat gescoord wordt en de rest van het werkproces laten vallen.
Rubric-taal uit het hoofd laten leren zonder het gedrag erbij.

Vuistregel: het format één keer oefenen is didactiek. Acht keer is examentraining.

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Twee lekken die overblijven
1. De BPV hangt ernaast. Heeft je planner geen kolom die school- en praktijkactiviteit aan hetzelfde werkproces koppelt? Dan wordt de handeling wél geëxamineerd, maar nooit in context geoefend. Bij niveau 2 en 3 is dit het grootste alignment-lek.

2. De generieke eisen lopen parallel. Nederlands, rekenen en burgerschap hebben eigen examinering en krijgen een eigen kolom. Bij Business Services kan het geïntegreerd: een klantgesprek is tegelijk werkproces én spreekvaardigheid.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De omkering
Wij weten het al

We weten welke werkprocessen SPL, AYCL en ESS examineert. We weten in welke vorm. We weten op welke criteria wordt beoordeeld.

Het staat alleen niet in onze lesplanners.

Slide 22 - Tekstslide

Geen verwijt, alleen de constatering. Laat 'm even staan voordat je doorklikt. Als iemand nu al reageert: laten praten, dat is precies waar de volgende slide voor is.
Waarom staat het niet in de lesplanners?

Slide 23 - Woordweb

Woordweb. Iedereen typt, niemand hoeft zich te melden. Dit is het hele punt van dit blok: de reden komt uit hun mond en niet uit die van jou. Lees er een paar hardop voor zonder ze te wegen.
Vier verklaringen
Ik weet niet hoe. Weten wat er geëxamineerd wordt is iets anders dan bedenken welke werkvorm dat gedrag uitlokt. Het levert niets op. Niemand kijkt ernaar. Een slechte planner heeft geen gevolg, een goede geen beloning. Er is geen tijd. Het staat in niemands taakplaatje. Ik doe het wel, maar leg het niet vast.

Welke is het bij jou?

Slide 24 - Tekstslide

Elke verklaring vraagt iets anders. De eerste vraagt om voordoen, de tweede om iemand met bevoegdheid, de derde om uren, de vierde om een ander formulier. Zeg dat er hardop bij, dan wordt duidelijk dat "gewoon beter je best doen" op geen van de vier een antwoord is.
De vraag die niet bij ons ligt
Wie kijkt er naar onze lesplanners? En wat gebeurt er als ze niet deugen?

Zolang het antwoord "niemand" en "niets" is, vragen we elkaar om onbetaald extra werk.

Die vraag neem ik mee naar boven. Niet naar jullie.

Slide 25 - Tekstslide

Dit is het moment waarop ik de groep uit de beklaagdenbank haalt. Je bent geen leidinggevende, dus je enige kapitaal is dat ze je vertrouwen. Hier geef je iets terug. Zeg er ook bij wat je concreet gaat vragen en wanneer je terugkoppelt, anders is het een gebaar zonder gevolg.
Afsluiting
Eén les. Deze periode.
Kies één les die je toch al geeft. Werk 'm uit volgens de werkwoordcheck: doel, examen, activiteit. 
Over drie weken leggen we ze naast elkaar in teamoverleg.

Niet omdat het moet. Omdat we dan zien of het werkt.

Slide 26 - Tekstslide

Klein, af te maken, en er is een moment waarop er iemand kijkt. 
Dat laatste is het verschil met "één ding dat je gaat aanpassen" — dat was een voornemen zonder afloop. Zet de datum meteen in de agenda voordat de zaal leegloopt, anders gebeurt het niet.
Poll: hoe was deze training voor jou?
😒🙁😐🙂😃

Slide 27 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Bronnen
Biggs, J. & Tang, C. (2011). Teaching for Quality Learning at University (4e druk). Het begrip constructive alignment komt uit Biggs' eerdere werk (1996) en is in dit boek uitgewerkt.

Wiggins, G. & McTighe, J. (1998, herziene druk 2005). Understanding by Design. Bron van het drie-stappenmodel op slide 12.

De formulering op slide 13 over meetlatten die doelen worden, wordt doorgaans toegeschreven aan Goodhart (1975) en Campbell (1976). Beide formuleringen komen uit de economie en de sociale wetenschappen, niet uit onderwijskundig onderzoek — gebruik het als beeldspraak, niet als bewijs.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies