cross

3.2 Het christendom in Europa

De Middeleeuwen
Tijdvak 3 Tijd  van monniken en ridders
500-1000

3.2 Het christendom in Europa
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

De Middeleeuwen
Tijdvak 3 Tijd  van monniken en ridders
500-1000

3.2 Het christendom in Europa

Slide 1 - Tekstslide

Tijd van monniken en ridders (500 - 1000)
In het wit zie je een helm, zoals ridders die droegen. Op de achtergrond zie je een deel van een klooster. Ridderschap en de christelijke kerk horen bij de Tijd van monniken en ridders.
Feniks, Geschiedenis Werkplaats, Memo, Saga

Slide 2 - Tekstslide

Kenmerkende aspecten
9. Het ontstaan en de verspreiding van de islam
10. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
11. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
Leer ze uit je hoofd!
timer
2:00

Slide 3 - Tekstslide

Kenmerkende aspecten  - welk woord weg?
  • 9. Het ontstaan en ..............?............... van de islam
  • 10. De .................?................... in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
  • 11. Het ontstaan van ................?..................... in het bestuur.
  • 12. De verspreiding van het christendom in .................?.................
Leer ze uit je hoofd!

Slide 4 - Tekstslide

Kenmerkende aspecten
9. Het ontstaan en de verspreiding van de islam
10. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
11. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
Leer ze uit je hoofd!

Slide 5 - Tekstslide


herhalen/ oefenen par 1


1. Leg uit dat de manier waarop de tekenaar Davids krijgslieden heeft afgebeeld een voorbeeld is van standplaatsgebondenheid.

Slide 6 - Tekstslide

1. Leg uit dat de manier waarop de tekenaar Davids krijgslieden heeft afgebeeld een voorbeeld is van standplaatsgebondenheid.

Het antwoordmodel:
Zijn weergave van een bijbels onderwerp is beïnvloed door zijn eigen tijd, want hij heeft de krijgslieden afgebeeld als middeleeuwse ridders.

Slide 7 - Tekstslide

Oorlogsscènes als deze behoren tot de grootste en duurste afbeeldingen in dit psalmboek.


2 Wat zegt dit over de tijd waarin het boek is gemaakt?

Slide 8 - Tekstslide

Oorlogsscènes als deze behoren tot de grootste en duurste afbeeldingen in dit psalmboek.


2 Wat zegt dit over de tijd waarin het boek is gemaakt?



Blijkbaar was het een tijd waarin veel geweld voorkwam.


Slide 9 - Tekstslide

3. Geef aan hoe Germaanse vorsten hun vazallen beloonden.
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 10 - Tekstslide

3. Geef aan hoe Germaanse vorsten hun vazallen beloonden.


Het antwoordmodel:
Germaanse vorsten beloonden hun vazallen met een deel van de buit.
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 11 - Tekstslide

4. Geef aan wat Karel Martel hierin veranderde.
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 12 - Tekstslide

4. Geef aan wat Karel Martel hierin veranderde.


Karel Martel beloonde vazallen ook met grond in leen
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 13 - Tekstslide

5. Geef aan wat Karel de Grote hierin veranderde.
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 14 - Tekstslide

5. Geef aan wat Karel de Grote hierin veranderde.

Karel de Grote beloonde niet alleen krijgsmannen/vazallen, maar ook graven en hertogen met lenen.
Continuïteit en verandering 
Soms leiden gebeurtenissen tot veranderingen. Zo’n verandering heet discontinuïteit. Veranderingen herken je door uit te leggen wat de situatie voor en na de verandering was.

Als situaties langere tijd hetzelfde blijven, is er sprake van continuïteit. Vaak is bij gebeurtenissen en ontwikkelingen sprake van zowel continuïteit als verandering. De Reformatie veroorzaakte grote veranderingen in de kerk en in het geloof (discontinuïteit). Maar niet alles veranderde: de invloed van het geloof op het dagelijks leven van mensen was en bleef groot (continuïteit).

Slide 15 - Tekstslide

6. Leg per bewering uit of je deze kunt ondersteunen met de bron:

1. In de vroege Middeleeuwen speelde geld in het dagelijks leven een grotere rol dan vaak wordt gedacht.

Bewering 1 kun je met de bron ondersteunen. Veel munten zijn in stukken geknipt om als kleingeld te gebruiken. Dit wijst op bijna dagelijks gebruik van geld
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 16 - Tekstslide

6. Leg per bewering uit of je deze kunt ondersteunen met de bron:

1. In de vroege Middeleeuwen speelde geld in het dagelijks leven een grotere rol dan vaak wordt gedacht.
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 17 - Tekstslide

7. In de negende eeuw handelden de Noormannen met de Arabieren.
Bewering 2 kun je ondersteunen, want de schat bevat Arabische munten. Dit hoeft echter niet per se op handel te wijzen. Degene die de schat begroef kan bijvoorbeeld ook door roof aan de munten zijn gekomen.
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 18 - Tekstslide

7. In de negende eeuw handelden de Noormannen met de Arabieren.
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 19 - Tekstslide

8. In de negende eeuw woonden in het noorden van Nederland Noormannen.
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 20 - Tekstslide

8. In de negende eeuw woonden in het noorden van Nederland Noormannen.
Bewering 3 kun je ondersteunen. Het is niet waarschijnlijk dat een Noorman in Nederland een schat zou begraven, als hij daar niet woonde.
Muntenschat
In 1999 werd deze schat gevonden op het voormalige eiland Wieringen in Noord-Holland. De schat is omstreeks 880 door een Noorman begraven en bestaat uit staafjes zilver en Frankische en Arabische munten.Veel munten zijn in stukken geknipt om te gebruiken als kleingeld.

Slide 21 - Tekstslide

uitleg par 3.2

Slide 22 - Tekstslide

3.2 Het christendom in Europa
3.2 Het christendom in Europa, leerdoelen
1. Je kunt uitleggen waardoor het christendom na het einde van het west- Romeinse Rijk een terugval doormaakte.
2. Je kunt beschrijven hoe het christendom zich in de vroege middeleeuwen over Europa verspreidde.
3. Je kent het belang van de overgang van Clovis naar het christendom.
4. Je begrijpt het wederzijds belang dat geestelijken en vorsten hadden bij samenwerking.
5. Je kunt de rol van kloosters beschrijven op het gebied van wetenschap en cultuur.
KA
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

3.2 Het christendom in Europa
Het christendom verliest na de val van het R.R. terrein: veel Germaanse koningen en hun stammen houden vast aan hun eigen religieuze gewoontes.

496 - Clovis koning der Franken laat zich dopen en sluit zich aan bij de belangrijkste stroming van het christendom. Dit levert hem de steun op van veel machtige bisschoppen. Hij verovert heel Gallië en de Franken moeten verplicht christen worden. (serieuze bekering of politiek motief?)
Het christendom gaat zich nu verspreiden over Europa.

De bekering van de Franken

Slide 25 - Tekstslide

Christendom 300 - 500, groene delen zijn christelijk
Christendom rond 1300, paarse deel is christelijk

Slide 26 - Tekstslide

Gegevens
  • 300:  
  • (10% van de bevolking)
  • 2.5 – 3 miljoen

  • 1300:
  • (80-90% van de bevolking)
  • 63 – 71 miljoen

Slide 27 - Tekstslide

3.2 Het christendom in Europa
De koningen beschermden de geestelijken en de geestelijk ondersteunden de koning. 
Dit was een win-win situatie:

- De koning beschermde de geestelijken met wetgeving en het zwaard, en ze gaven grond en andere goederen aan kerken en kloosters.
- Geestelijken konden schrijven en waren nuttig bij het bestuur. De Kerk benadrukte dat koningen door God waren aangesteld. 
De kerk versterkte hiermee de machtspositie van de koning. 'Het koningschap wordt door God gegeven.'
Missionarissen verspreidden het christendom verder door Europa, vaak onder bedreiging van geweld. De missionarissen werden geholpen door de Frankische machthebbers. 


De verspreiding van het christendom 

Slide 28 - Tekstslide

Koning en de kerk
Samengevat: 
  • Wat geeft koning: veiligheid en macht
  • steun bij verspreiding christendom
  • Wat geeft kerk: bureaucratische hulp bij bestuur
  • Legitimatie macht: koning aangesteld door God.

Slide 29 - Tekstslide

Bekering van Europa
  • Vanaf 600 missionarissen
  • Anders geweld
  • Bekende missionarissen  in Nederland: Bonifatius en Willibrord

Slide 30 - Tekstslide

3.2 Het christendom in Europa
Monniken en nonnen zonderden zich af van de wereld om zich aan God te wijden. Vaak volgens een kloosterregel (leefregels).

Kloosters werden vaak rijk door alle giften die zij van bv koningen ontvingen. Ze hadden uitgestrekte domeinen die bewerkt werden door horigen.
Door studie van de bijbel en boeken uit de oudheid vergaarden zij veel kennis.

Het kloosterleven

Slide 31 - Tekstslide

Kloosters:
  • Leven voor God 
  • Leven naar een regel
  • Vaak die van Benedictus:
  • armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan de abt
  • Kloosters werden een centrum van wetenschappen als filosofie en geschiedschrijving.

Slide 32 - Tekstslide

Examenvraag met twee bronnen
Bron 1 
 Fragment uit De Geschiedenis van de Franken, tussen 573 en 591 geschreven door bisschop Gregorius van Tours, een van de machtigste mannen van zijn tijd. In het fragment beschrijft hij de bekering van koning Clovis in 496:

"De koningin liet de heilige Remigius (de bisschop van Reims) in het geheim bij zich komen. Ze smeekte hem het woord van de verlossing aan de koning over te brengen. De bisschop verzocht Clovis om een persoonlijk onderhoud en drong er bij hem op aan in de ware God, de schepper van hemel en aarde, te geloven en zijn eigen afgoden op te geven (…). De koning antwoordde: "Ik heb u bereidwillig aangehoord, heilige vader. Er blijft echter een probleem. Het volk onder mijn bevel zal niet bereid zijn de oude goden op te geven. Toch zal ik naar mijn mensen toegaan en overbrengen wat u mij zojuist hebt verteld." Clovis organiseerde een bijeenkomst, maar door tussenkomst van de goddelijke macht riep heel het volk, nog voordat de koning zijn mond kon opendoen, eensgezind uit: "We zullen onze sterfelijke goden verwerpen, vrome koning, en zijn bereid de onsterfelijke God waarover Remigius preekt te volgen." Het nieuws bereikte de bisschop. Hij was zeer verheugd en beval dat de doopvont klaar moest worden gemaakt."

Slide 33 - Tekstslide

​Bron 2 In 602 vaardigt koning Ethelbert van Kent in Engeland een wet uit. Enkele jaren voordat deze wet wordt opgesteld, heeft een christelijke missie uit Rome Engeland bereikt. Een fragment uit deze wet:
"Schade toegebracht aan het bezit van God en de Kerk moet twaalfvoudig worden gecompenseerd; aan het bezit van een bisschop elfvoudig; aan het bezit van een priester negenvoudig; aan dat van een diaken zesvoudig; aan dat van een gewone geestelijke drievoudig. Verstoring van de vrede in een kerk moet tweevoudig worden vergoed; verstoring van een bijeenkomst ook tweevoudig."


Gebruik bron 1 en 2
Missionarissen die Europa willen kerstenen, zoeken vaak de koning van een gebied op om hem te bekeren.
2p Ontleen hiervoor uit elk van beide bronnen een verschillend motief.

Slide 34 - Tekstslide

Antwoord
Motief in bron 1: een koning heeft een goede status / veel aanzien, en dus zullen onderdanen de koning volgen als deze een nieuw geloof aanneemt.
Motief in bron 2: koningen hebben veel macht, omdat zij wetten kunnen uitvaardigen, en dus geeft de bekering van een koning de missionarissen bescherming.

Slide 35 - Tekstslide

Kenmerkende aspecten
  • 9. Het ontstaan en de verspreiding van de islam
  • 10. De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch-urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur, georganiseerd via hofstelsel en horigheid.
  • 11. Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
  • 12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
noem ze nog eens!

Slide 36 - Tekstslide

3.2 Het christendom in Europa
3.2 Het christendom in Europa, leerdoelen
1. Je kunt uitleggen waardoor het christendom na het einde van het west- Romeinse Rijk een terugval doormaakte.
2. Je kunt beschrijven hoe het christendom zich in de vroege middeleeuwen over Europa verspreidde.
3. Je kent het belang van de overgang van Clovis naar het christendom.
4. Je begrijpt het wederzijds belang dat geestelijken en vorsten hadden bij samenwerking.
5. Je kunt de rol van kloosters beschrijven op het gebied van wetenschap en cultuur.
KA
12. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

Slide 37 - Tekstslide


Schrijf 3 dingen op die
je deze les hebt geleerd

Slide 38 - Open vraag


Stel 1 vraag over iets dat je
deze les nog niet zo goed hebt begrepen

Slide 39 - Open vraag

begrippen, jaartallen en personen
  • missionarissen
  • geestelijken
  • 496 doop Clovis
  • Bonifatius
  • Willibrord

Slide 40 - Tekstslide

huiswerk

Slide 41 - Tekstslide