Lidwoorden

Lidwoorden


1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Lidwoorden


Lidwoorden

de, het, een

Wat ga je leren?

In deze les leer je:

  • wat lidwoorden zijn

  • de regels bij de-woorden

  • de regels bij het-woorden

het-woorden


  1. bij verkleinwoorden                            (-je, -pje, -tje)

  2. namen van talen

  3. windrichtingen

  4. woorden die eindigen op                  -um en -ment

de-woorden


  1. er zijn meer de-woorden, dan het-woorden

  2. de woorden bij meervoud, cijfers en letters, namen van bergen en rivieren

  3. personen




Weet je nog niets? 

Gebruik 'een'.


Ik heb een huis.

David eet een banaan.

Layla heeft een kind.


Heb je al informatie?          Gebruik ‘de’ of ‘het’.


Het huis heeft drie kamers.

De banaan is lekker.

Het kind heet Mohammed.



Quizvraag

... buurt

A

de

B

het

C


D


... dier

A

de

B

het

C


D


... bed

A

de

B

het

C


D


... tafels

A

de

B

het

C


D


... stoeltje

A

de

B

het

C


D


... meisje

A

de

B

het

C


D


... vijf

A

de

B

het

C


D


... Mount Everest

A

de

B

het

C


D


vrouw

A

de

B

het

C


D


Ik eet elke dag ... appel.

A

de

B

het

C

een

D


Wil je ... kopje thee?

A

de

B

het

C

een

D


Ik ga met ... fiets naar het werk.

A

de

B

het

C

een

D


... fruit is op.

A

de

B

het

C

een

D


Ik houd niet van ... winter.

A

de

B

het

C

een

D


We kijken elk weekend ... film.

A

de

B

het

C

een

D


... opa en oma van Said zijn oud.

A

de

B

het

C

een

D


Elisa heeft een kind. ... kind het Lola.

A

de

B

het

C

een

D


Wil je ... koekje bij de koffie?

A

de

B

het

C

een

D


... soep is lekker.

A

de

B

het

C

een

D


Sarah woont in een appartement. ... appartement is klein.

A

de

B

het

C

een

D


Mijn vader heeft ... auto gekocht.

A

de

B

het

C

een

D


Hoeveel lidwoorden staan er in dit verhaal? 'Vandaag ga ik naar de winkel. Ik loop door het park naar de winkel. De man in de winkel zegt: “Hallo”. Ik zoek het fruit. Ik neem appels en bananen. De man weegt de appels en de bananen. Ik ga naar de kassa en ik betaal de boodschappen.'

A

10

B

11

C

12

D

13