In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
Molariteit
Rekenen met de molariteit
Slide 1 - Tekstslide
Concentratie
gram/liter
Massapercentage
Massapromillage
Massa ppm
Slide 2 - Tekstslide
Molariteit
In oplossingen wordt concentratie uitgedrukt in molariteit (M); het aantal mol per liter.
[A] = n / V
[A] = molariteit van deeltje A
n = het aantal mol
V = het volume in liter
Slide 3 - Tekstslide
Belangrijk om te weten:
Concentratie in blokhaken: [Na+ (aq)]
Tussen die haken mogen alleen opgeloste deeltjes staan!
Dus nooit [NaCl]
Wel [Na+] en [Clˉ]
Grootheid: Molariteit = concentratie = […]
Eenheid: mol/L = mol∙L-1 = molair = M
Slide 4 - Tekstslide
Slide 5 - Tekstslide
Een zoutzuuroplossing heeft een molariteit van 4,0 M. Wat is de formule van de stof die opgelost is? (Binas 66A)
Slide 6 - Open vraag
Een zoutzuuroplossing heeft een molariteit van 4,00 M. Hoeveel gram is er opgelost? (geen decimalen)
Slide 7 - Open vraag
Een zoutzuuroplossing heeft een molariteit van 4,0 M. Hoeveel moleculen zijn er opgelost?
Slide 8 - Open vraag
Ik los 6 mol calciumchloride op in 3 liter water. Wat is de formule van calciumchloride?
Slide 9 - Open vraag
Ik los 6 mol calciumchloride op in 3 liter water, De oplosvergelijking is als volgt: CaCl2 → Ca2+ + 2Cl- Wat is dan [Ca2+]?
Slide 10 - Open vraag
Ik los 6 mol calciumchloride op in 3 liter water, De oplosvergelijking is als volgt: CaCl2 → Ca2+ + 2Cl- Wat is dan [Cl-]?
Slide 11 - Open vraag
We lossen 3,0 mol natriumchloride op in water. Het volume wordt 500 mL. Hoeveel mol natriumionen heb je in de oplossing? (30 s)
A
1,5 mol
B
3,0 mol
C
4,5 mol
D
6,0 mol
Slide 12 - Quizvraag
concentratie/ molariteit
oplosvergelijking: NaCl (s) -> Na+ (aq) + Cl- (aq)
molverhouding: 1 : 1 : 1
dus: 3,0 mol 3,0 mol 3,0 mol
Slide 13 - Tekstslide
We lossen 1,0 mol aluminiumsulfaat op in water tot een opl. van 2 L . Dus 2,0 mol aluminiumionen in de oplossing. Wat is de molariteit van de aluminiumionen in de oplossing? (45 s)
A
0,5 mol/L
B
1,0 mol/L
C
2,0 mol/L
D
6.0 mol/L
Slide 14 - Quizvraag
concentratie/ molariteit
oplosvergelijking: Al2(SO4)3 (s) -> 2 Al 3+ (aq) + 3 SO4 2- (aq)
molverhouding: 1 : 2 : 3
dus: 1,0 mol 2,0 mol 3,0 mol
[Al3+ ] = n : V opl = 2,0 : 2,0 L = 1,0 mol/L
Slide 15 - Tekstslide
Verdunningsfactor
Als je 1 deel oplossing mengt met 9 delen water verdun je 10x, dit noem je de verdunningsfactor.
Verdunningsfactor = cbegin/ceind
Wanneer je alleen wat toevoegt is dit gelijk aan Veind/Vbegin.
Slide 16 - Tekstslide
2,0 mL vloeistof met een molariteit van 0,50 mol/L opgelost natriumchloride wordt verdund door 8,0 ml water toe te voegen. Wat is de verdunningsfactor? (30 s)
A
0,5
B
2
C
4
D
5
Slide 17 - Quizvraag
Verdunningsfactor
Beginvolume = 2,0 mL
Eindvolume = 2,0 + 8,0 = 10,0 mL
De verdunningsfactor = V eind : V begin = 10 : 2 = 5,0 De oplossing is dus 5,0 keer verdund.
Slide 18 - Tekstslide
Aan de slag!
Molariteit moeilijk? Maak 35 t/m 46
Molariteit makkelijk? Maak 35, 36, 38c en 40 t/m 47