2.2 - Weerstand


Starttaak

1. Maak een samenvatting van de aantekeningen van de vorige les.
2. Kijk het afgelopen huiswerk na en stel vragen over de fouten.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



Weektaak moet af 2 november:
  • Paragraaf 2.1: opdracht 8 t/m 10, 13, 15
  • Paragraaf 2.2: opdracht 18 t/m 22


timer
5:00
3F
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les


Starttaak

1. Maak een samenvatting van de aantekeningen van de vorige les.
2. Kijk het afgelopen huiswerk na en stel vragen over de fouten.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



Weektaak moet af 2 november:
  • Paragraaf 2.1: opdracht 8 t/m 10, 13, 15
  • Paragraaf 2.2: opdracht 18 t/m 22


timer
5:00
3F

Slide 1 - Tekstslide


Starttaak

1. Maak een samenvatting van de aantekeningen van de vorige les.
2. Kijk het afgelopen huiswerk na en stel vragen over de fouten.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



Weektaak moet af 4 november:
Maken en nakijken:
  • Paragraaf 2.2: opdracht 18 t/m 22


timer
5:00
3E

Slide 2 - Tekstslide


Starttaak

1. Maak een samenvatting van de aantekeningen van de vorige les.
2. Kijk het afgelopen huiswerk na en stel vragen over de fouten.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



Weektaak moet af 4 november:
  • Havo: 19, 20, 22 t/m 26, 28, 30
  • Vwo: 19 t/m 26, 28, 30, 32


timer
5:00
3G

Slide 3 - Tekstslide

Spanning zegt iets over:
A
Hoeveel deeltjes er langs 'stromen'
B
Hoe 'snel' de deeltjes gaan
C
Hoeveel elektrische energie een deeltje 'meekrijgt'
D
Hoe 'energiek' een deeltje is

Slide 4 - Quizvraag

Stroomsterkte zegt je iets over:
A
Hoeveel deeltjes er langs 'stromen'
B
Hoe 'snel' de deeltjes gaan
C
Hoeveel elektrische energie een deeltje 'draagt'
D
Hoe 'energiek' een deeltje is

Slide 5 - Quizvraag

1. Zonder spanning geen stroom
2. Zonder stroom geen spanning
A
1 en 2 zijn waar
B
1 is waar, 2 is niet waar
C
1 is niet waar, 2 is waar
D
1 en 2 zijn niet waar

Slide 6 - Quizvraag



De spanning (...) wordt gemeten in ...           (...)

De stroomsterkte (..) wordt gemeten in ...         (..)
V
v
U
u
ampère
volt
I
i
A
a

Slide 7 - Sleepvraag

Slide 8 - Tekstslide

Spanning
Symbool: U
Eenheid: Volt (V)

Het ladingsverschil tussen twee punten.
De kracht/spanning die de elektronen aandrijft.

Een hogere spanning betekent dat er meer ‘duwkracht’ is om de stroom door een circuit te laten gaan.



Slide 9 - Tekstslide

Stroomsterkte

Symbool: I  (hoofdletter i)
Eenheid: Ampère (A)

De hoeveelheid elektronen die per seconde door een geleider stroomt.

Hoe groter de stroomsterkte, hoe meer elektronen er per seconde door de draad gaat.





Slide 10 - Tekstslide

Weerstand
Paragraaf 2.2

Slide 11 - Tekstslide

Elektriciteit en lading
Hoofdstuk 2, paragraaf 2
                       
1. Pak laptop, schrift en pen.

2. Maak een Cornell schema                    
     of: 
     Zet paragraaf en titel bovenaan pagina (vragen en samenvatting eronder)

3. Kom in deze lessup, code linksonderaan.
timer
4:00

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Link

Slide 15 - Link

Weerstand
Afkorting: R
Eenheid: ohm (Ω)


De mate waarin een materiaal de elektrische stroom beperkt/tegenhoudt.

Hoe smaller de buis, hoe moeilijker het water kan stromen, dus hoe groter de weerstand.



Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Kortsluiting








Stroom zoekt de weg van de minste weerstand

Slide 19 - Tekstslide

Weerstand van een draad
Afhankelijk van:
  • Dikte 
Hoe dunner de draad, hoe groter de weerstand.

  • Lengte 
Hoe langer de draad, hoe groter de weerstand.

  • Materiaal

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Een tosti-apparaat heeft een stroomsterkte van 6,5 A. de spanning is 230V. Bereken de weerstand van het tosti apparaat. 
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • I = 6,5 A          U = 230 V
  • Weerstand (R)  
  •  R = U : I 
  •  R = 230 : 6,5 = 35,5 
  •  De weerstand is 35,5 Ω

Slide 22 - Tekstslide

(I,U)-diagram
Als de spanning 2x zo groot wordt, wordt de stoomsterkte ook 2x zo groot.


Als de stroomsterkte 5x zo groot wordt, wordt de spanning ook 5x zo groot.


De spanning en stroomsterkte zijn rechtevenredig.


Slide 23 - Tekstslide




Hoge temperatuur --> weerstand van lampje wordt groter
Stroomdraad = constant
 

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Wat is weerstand?
(in eigen woorden uitleggen)

Slide 27 - Open vraag

De weerstand van een draad is afhankelijk van het materiaal.
Waar is de weerstand nog meer afhankelijk van?

Slide 28 - Open vraag

De weerstand van deze
grafiek is constant.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 29 - Quizvraag

Hoe noemen we het verband tussen
de stroomsterkte en de spanning?

Slide 30 - Open vraag


Aan de slag!

1. Minimaal 4 overhoringsvragen schrijven in schrift bij aantekeningen.
2. Weektaak noteren in agenda en/of omcirkelen in boek.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



timer
5:00
3F
Weektaak moet af 2 november:
  • Paragraaf 2.1: opdracht 8 t/m 10, 13, 15
  • Paragraaf 2.2: opdracht 18 t/m 22


Slide 31 - Tekstslide


Aan de slag!

1. Minimaal 4 overhoringsvragen schrijven in schrift bij aantekeningen.
2. Weektaak noteren in agenda en/of omcirkelen in boek.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Vooruit werken met weektaken (zie planning Teams).



timer
5:00
3E
Weektaak moet af 4 november:
Maken en nakijken:
  • Paragraaf 2.2: opdracht 18 t/m 22


Slide 32 - Tekstslide


Aan de slag!

1. Minimaal 4 overhoringsvragen schrijven in schrift bij aantekeningen.
2. Weektaak noteren in agenda en/of omcirkelen in boek.

3. Weektaak maken.
4. Nakijken weektaak (zie uitwerkingen in Teams).

Klaar? -> Online oefensite (zie Teams).



timer
5:00
3G
Weektaak moet af 4 november:
  • Havo: 19, 20, 22 t/m 26, 28, 30
  • Vwo: 19 t/m 26, 28, 30, 32


Slide 33 - Tekstslide

Stap voor stap oefenen

Slide 34 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Stroomsterkte = 2 A              Spanning = 5 V. 
Bereken de weerstand.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • I = 2 A          U = 5 V
  • Weerstand (R)  
  •  R = U : I 
  •  R = 5 : 2 = 2,5
  •  De weerstand is 2,5 Ω

Slide 35 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Weerstand = 20 Ω            Stroomsterkte = 0,2 A
Bereken de spanning.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • R = 20 Ω          I = 0,2 A
  • Spanning (U)
  •  R = U : I  -> U = I * R
  •  U = 0,2 * 20 = 4
  •  De spanning is 4 V

Slide 36 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Weerstand = 30 Ω            Spanning = 5 V
Bereken de stroomsterkte. Geef antwoord in mA
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • R = 30 Ω          U = 5 V
  • Stroomsterkte (I)
  •  R = U : I  -> I = U : R
  •  I = 5 : 30 = 0,1666.. 
  • 0,1666.. A = 166,6... mA       (x 1000)
  •  De stroomsterkte is 167 mA

Slide 37 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Spanning = 12 V           Stroomsterkte = 300 mA
Bereken de weerstand.
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • I = 300 mA         U = 12 V
  • Weerstand (R) 
  •  R = U : I  
  • I = 300 mA = 0,3 A             (:1000)
  • R = 12 : 0,3 = 40
  •  De weerstand is 40 Ω 

Slide 38 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Een motor heeft 24 V nodig en een weerstand van 8 Ω.
Hoeveel stroom loopt er (in A én in mA)?
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • R = 8 Ω          U = 24 V
  • Stroomsterkte (I) in A en mA
  •  R = U : I  -> I = U : R
  •  I = 24 : 8 = 3 A 
  • 3 A = 3000 mA       (x 1000)
  •  De stroomsterkte is 3 A en 3000 mA

Slide 39 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Wat is de totale weerstand van deze schakeling?
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • U bron = 15 V         I bron = 2 A
  • Weerstand (R)
  • R = U : I  
  • R = 15 : 2 = 7,5
  •  De weerstand is 7,5 Ω 

Slide 40 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Wat is de weerstand van het rechter lampje? 
(nummer 1 in schakeling)
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • U 1 = 10 V         I 1 = 2 A
  • Weerstand (R)
  • R = U : I  
  • R = 10 : 2 = 5
  •  De weerstand is 5 Ω 

Slide 41 - Tekstslide

voorbeeld berekening
Voorbeeld berekening
Wat is de weerstand van het linker lampje? 
(nummer 2 in schakeling)
Gegeven
Gevraagd
Formule
Berekenen
Antwoord
  • U 2 = 5 V         I 2 = 2 A
  • Weerstand (R)
  • R = U : I  
  • R = 10 : 2 = 5
  •  De weerstand is 5 Ω 

Slide 42 - Tekstslide