3H NN6 H3 wederkerend en wederkering voornaamwoord

Wederkerend of wederkerig Vnw.
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Wederkerend of wederkerig Vnw.

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen
* Ik kan wederkerige en (verplichte en toevallige) wederkerende voornaamwoorden herkennen.

Slide 2 - Tekstslide

Bekijk de uitleg van de methode:

Slide 3 - Tekstslide

Kies:

  1. Met de klas: luister mee met de uitleg, maak daarna de opdrachten. 
  2. Zelfstandig: lees/ bekijk zelf de uitleg van de methode + maak daarna de opdrachten.

Slide 4 - Tekstslide

Ik doe mee met de uitleg:
A
Ja
B
Nee

Slide 5 - Quizvraag

Wederkerig voornaamwoord
Als je de wederkerige voornaamwoorden uit je hoofd leert, dan haal je wederkerend en wederkerig tenminste niet meer uit elkaar

Er bestaan maar een paar wederkerige voornaamwoorden: 
elkaar/elkander/mekaar

Slide 6 - Tekstslide

Dus: Wederkerig voornaamwoord
Elkaar, soms geschreven als mekaar of elkander.

Leer deze drie voornaamwoorden gewoon uit je hoofd.

Slide 7 - Tekstslide

Wederkerend voornaamwoord
Wederkerend betekent dat iets terugkomt

We kennen in het Nederlands wederkerende werkwoorden. Die beginnen altijd met 'zich', bijvoorbeeld:
  • zich branden
  • zich verslapen
  • zich bezeren

Slide 8 - Tekstslide

Vervoegen
Als je wederkerende werkwoorden gaat vervoegen, dan komt er een deel van het werkwoord terug.
Voorbeeld:
  • Zich vergissen
  • Ik vergis me
  • Hij vergist zich
  • Wij vergissen ons

Slide 9 - Tekstslide

Wederkerend voornaamwoord

Slide 10 - Tekstslide

LET OP; soms niet wederkerend
Zich is altijd een wederkerend voornaamwoord, maar me, je en ons kunnen ook persoonlijk voornaamwoord zijn.

Daarnaast kunnen je en ons ook bezittelijk voornaamwoord zijn.


Slide 11 - Tekstslide

Persoonlijk of bezittelijk vnw.?
• Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) duidt een persoon of ding aan: ik ben verliefd, ze zijn erg mooi, die vriendin van jou.
• Een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) geeft aan van wie iets is. Het staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: mijn jas, onze fietsen, haar bekendste liedje.

Slide 12 - Tekstslide

Wederkerend of niet?
Vervang het woord me, je of ons door hij, hem, zijn of zich. ALS je het woord kunt vervangen door...
• ... hij of hem, dan is het een persoonlijk voornaamwoord;
• ... zijn, dan is het een bezittelijk voornaamwoord
• ... zich, dan is het een wederkerend voornaamwoord.

Slide 13 - Tekstslide

Voorbeeld 1; wederkerend of niet?
– Schaam je (1) je (2) altijd als je (3) broertje een domme opmerking maakt? 
Schaamt hij (1) zich (2) altijd als zijn (3) broertje een domme opmerking maakt?

‘Je (1)’ verandert in ‘hij’ en is dus persoonlijk voornaamwoord.
‘Je (2)’ verandert in ‘zich’ en is dus wederkerend voornaamwoord.
‘Je (3)’ verandert in ‘zijn’ en is dus bezittelijk voornaamwoord.

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeeld 2; wederkerend of niet?
Bemoei je je altijd met je zusje als je ouders onderweg zijn?

Bemoeit hij zich altijd met zijn zusje als zijn ouders weg zijn?


Slide 15 - Tekstslide

Toevallig wederkerend werkwoord
Er zijn ook werkwoorden die wederkerend gebruikt kunnen worden, zoals 'verwonden'

  • Ik verwondde me aan de groenteschaaf. (wederkerend)
  • Ik verwondde mijn broertje met de grasmaaier. (niet-wederkerend) 

Als ze niet altijd wederkerend zijn, noem je ze toevallig wederkerend.

Slide 16 - Tekstslide

Verplicht wederkerende werkwoorden
zich aanstellen
zich bemoeien
zich ergeren
zich gedragen
zich uit de voeten maken
zich ontfermen
zich schamen
zich uitsloven
Toevallig wederkerende werkwoorden
wegen
opmaken
vermaken
snijden
irriteren
beseffen

Slide 17 - Tekstslide

Jij brandt je aan die kaars.
'Je' is een:

A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord

Slide 18 - Quizvraag

Jij houdt je boek verkeerd vast.
'Je' is een:
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord

Slide 19 - Quizvraag

Hij houdt zich vast aan de boei.
'Zich' is een:
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord

Slide 20 - Quizvraag

Heb je je vanochtend wel gewassen?
De eerste 'je' is een:
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord

Slide 21 - Quizvraag

Heb je je vanochtend wel gewassen?
De tweede 'je' is een:
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord
C
wederkerend voornaamwoord

Slide 22 - Quizvraag

Aan de slag!
>>  Maak H3 wederkerend en wederkerig voornaamwoord startopdracht, 1, 2 en 7.
>> Stel je vragen indien nodig.
















































Ik ga direct aan het werk en  blijf aan
het werk.


Als ik een vraag heb, stel ik
die FLUISTEREND aan mijn
docent
.







Klaar?
       > bij score onder 60%
       > als je dat met mij hebt afgesproken.
Volg daarna de planning op It's.

Slide 23 - Tekstslide

Welk voornaamwoord staat in deze zin:

Haar haar is veel te lang
A
Persoonlijk
B
Bezittelijk
C
Wederkerig
D
Wederkerend

Slide 24 - Quizvraag

Welk voornaamwoord staat in deze zin:

Geef elkaar na dit opstootje een een hand.
A
Persoonlijk
B
Bezittelijk
C
Wederkerig
D
Wederkerend

Slide 25 - Quizvraag

Welke voornaamwoorden staan in deze zin:
Heb je je haar wel goed gewassen?
A
Persoonlijk
B
Bezittelijk
C
Wederkerig
D
Wederkerend

Slide 26 - Quizvraag

Welke wederkerige voornaamwoorden heb je vandaag geleerd?

Slide 27 - Open vraag

Huiswerk
 Maak H3 wederkerend en wederkerig voornaamwoord startopdracht, 1, 2 en 7.

Volg de studiewijzer. Maak de opdrachten van vorige lessen ook af als je die niet af hebt. 


Slide 28 - Tekstslide