Voorzetsels

Voorzetsels / preposities
Wat zijn dat?

Voorbeeld: ik zit op de stoel. 
Op = voorzetsel
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolISKvmbo kLeerjaar 1,2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 35 min

Onderdelen in deze les

Voorzetsels / preposities
Wat zijn dat?

Voorbeeld: ik zit op de stoel. 
Op = voorzetsel

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke voorzetsels ken je?

Slide 2 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • Ik kan een voorzetsel herkennen. 
  • Ik kan een voorzetsel gebruiken in een zin. 
  • Ik ken verschillende soorten voorzetsel: tijd, plaats, doel etc.
  • Ik kan een zin maken met een voorzetsel.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De verschillende voorzetsels
  • Voorzetsels van plaats, richting/beweging, manier/middel, gerelateerd aan personen 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling: voorzetsels van plaats
boven <-> onder
voor <-> achter                                                tegenover
naast                     links van <-> rechts van                         ver van
in                      tussen                                     door (erdoorheen)
rondom                           omringd door 
omhoog <-> omlaag
Nog meer...?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels en 'waar'
Voorzetsels geven vaak informatie over waar iets is. 
Bijvoorbeeld: De kat zit op de tafel.

Slide 9 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om de locatie van verschillende objecten aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en beweging/richting
Voorzetsels geven ook informatie over beweging
Bijvoorbeeld: Hij loopt naar de supermarkt.

Slide 10 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om verschillende bewegingen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels en tijd
Voorzetsels geven ook informatie over tijd
Bijvoorbeeld: Ik ga naar het strand op maandag.

Slide 11 - Tekstslide

Gebruik de afbeeldingen om verschillende tijdsperiodes aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.

De afbeeldingen in deze slide zijn te vergroten.
Voorzetsels en 'wie'
Voorzetsels geven ook informatie over 'wie'. 
Bijvoorbeeld: Hij praat met zijn vriend.
Bijvoorbeeld: Zij is verliefd op haar.

Slide 12 - Tekstslide

Gebruik afbeeldingen om verschillende personen aan te geven en vraag leerlingen om zinnen te vormen met behulp van de juiste voorzetsels.
Voorzetsels die horen bij manier/middel
middel/manier (hoe?)
vervoer: met de auto/trein/bus, per boot, te voet (lopend)

Ik ga met de trein naar mijn werk.
Het schilderij is gemaakt met olieverf.
De beslissing werd genomen door de directie.
Dankzij jouw hulp gingen de tests sneller.



Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsels die horen bij een doel
doel 
vervoer: met de auto/trein/bus, per boot, te voet (lopend)

Ik ga met de trein naar mijn werk.
Het schilderij is gemaakt met olieverf.
De beslissing werd genomen door de directie.
Dankzij jouw hulp gingen de tests sneller.



Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling: voorzetsels van...
  • plaats (waar?) op, in, tussen, onder, aan...
  • beweging/richting (waarnaartoe?) >> naar, richting, terug
  • tijd (wanneer?) >> sinds, tot, vanaf, voor, op...
  • middel (waarmee, hoe?) met, per, te...
  • gerelateerd aan personen (wie?) >> praten met, verliefd zijn op, van mij/van de buurvrouw

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel:
De docent staat ___ het bord.
A
achter
B
voor
C
in
D
op

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij:
De gang is ___ de deur.
A
achter
B
met
C
in
D
op

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het passende voorzetsel:
Ze telt ___ tien.
A
van
B
op
C
in
D
tot

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het juiste voorzetsel :
Ik praat ____ mijn vriend.
A
naar
B
in
C
met
D
op

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies het juiste voorzetsel:
Wij lopen ____ het park.
A
voor
B
naar
C
tussen
D
met

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij:
De tas staat ____ de tafel.
A
in
B
met
C
onder
D
naar

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij:
Ik loop ____ huis.
A
op
B
naar
C
onder
D
over

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij:
Wij zitten ____ elkaar.
A
naar
B
naast
C
in
D
over

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk voorzetsel hoort hierbij:
Het schilderij hangt _____ de muur.
A
achter
B
aan
C
in
D
van

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

En de laatste (moeilijk!)
Ze gaat _____ huis _____ het werk.
A
na, na
B
na, naar
C
naar, na
D
naar, naar

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsel van tijd (wanneer?)
Wat zijn voorzetsels van tijd?

> Voorzetsels van tijd geven aan wanneer iets gebeurt.

Welke voorzetsels van tijd gebruiken we het meest?

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsel van tijd (wanneer?)
In (Engels: in
→ langere tijdsperiodes – maanden, jaren of dagdelen
We gaan in augustus/in 2027 op vakantie. In de avond, in de nacht...
Op (Engels: on)
→  wordt gebruikt voor specifieke dagen of data
Ik heb op maandag een afspraak.
Om (Engels: at)
→ wordt gebruikt voor exacte tijdstippen
De trein vertrekt om 9 uur.

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsel van tijd (Wanneer?)
Sinds (Engels: since)
→ geeft aan wanneer iets is begonnen en nog steeds duurt.
Ik woon hier sinds 2020.
Tot (Engels: till)
→ geeft het einde van een periode aan.
We blijven hier tot vrijdag.
Vanaf (Engels: from)
→ geeft het begin van een periode aan.
De winkel is vanaf 9.00 uur open.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorzetsel van tijd (Wanneer?)
Voor/Na (Engels: before/after)
→ verwijzen naar tijd voor of na een bepaald moment.
We gaan voor de film iets eten. Nee, niet erna, maar ervóór.




Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Ik kan voorzetsels herkennen en  gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 33 - Poll

Deze slide heeft geen instructies