Klas 3 - leerdoelen voor de passé composé.

Grammaire
Chapitre 3
Grandes Lignes 3MH
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Grammaire
Chapitre 3
Grandes Lignes 3MH

Slide 1 - Tekstslide

Paragraphe D
De passé composé in kleine stappen.

Slide 2 - Tekstslide

Wat moet je kunnen/kennen?
Leerdoelen:
1. Het werkwoord avoir vervoegen in de présent.
2. Werkwoorden op -er in de voltooide tijd zetten (zoals chercher)
3. Werkwoorden op -re in de voltooide tijd zetten (zoals vendre)
4 Werkwoorden op -ir in de voltooide tijd zetten (zoals choisir)
5. Onregelmatige werkwoorden in de voltooide tijd zetten (avoir, être, faire & prendre).
6. Het werkwoord être vervoegen in de présent.
7. Werkwoorden die met het hulpwerkwoord être gaan in de voltooide tijd zetten.

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoel 1: avoir

Slide 4 - Tekstslide

ik
jij
hij
zij
men/we
wij
jullie/u
zij(m)
zij (v)
- persoonlijke voornaamwoorden.
Je
Elles
Nous
il
Tu
Elle
Vous
ils
On

Slide 5 - Sleepvraag

avoir
=
hebben
Avoir: il,elle,on
Avoir: nous
Avoir: vous
Avoir: ils,elles
Avoir: tu
Avoir: j'
avons
ont
ai
avez
as
a

Slide 6 - Sleepvraag

Leerdoel 2:
Werkwoorden op -er in de voltooide tijd zetten.

Slide 7 - Tekstslide

Passé composé
Persoonlijk vnw
avoir
voltooid dlw
J' (ik)
ai
parlé
Tu (jij)
as
parlé
Il/elle/on (hij/zij/men)
a
parlé
nous (wij)
avons
parlé
Vous (jullie/u)
avez
parlé
Ils/elles (zij)
ont
parlé
Ik heb gepraat
passé composé 

Slide 8 - Tekstslide

Zet in de goede vorm.
Tu (donner, passé composé) le livre.

Slide 9 - Open vraag

Zet in de goede vorm.
Vous (chercher, passé composé) le livre.

Slide 10 - Open vraag

Zet in de goede vorm.
Mes parents (regarder, passé composé) un film.

Slide 11 - Open vraag

Leerdoel 3:
Werkwoorden op -re in de voltooide tijd zetten (zoals vendre)

Slide 12 - Tekstslide

Passé composé
Répondre
-re
+ u
J'ai répondu

Slide 13 - Tekstslide

werkwoorden op -re in de passé composé
ils ... ...(perdre)

Slide 14 - Open vraag

Werkwoorden op -re in de passé composé
Nous ______ (entendre) des bruits.

Slide 15 - Open vraag

Werkwoorden op -re in de passé composé: J' ..... (vendre) les pommes?

Slide 16 - Open vraag

Leerdoel 4:
Werkwoorden op -ir in de voltooide tijd zetten (zoals choisir)

Slide 17 - Tekstslide

Passé composé
Choisir
-ir
+ i
J'ai choisi

Slide 18 - Tekstslide

Zet in de goede vorm.
Vous (choisir, passé composé) le film.

Slide 19 - Open vraag

Werkwoorden op -ir in de passé composé
Je/J´ ________ (finir) tes devoirs.

Slide 20 - Open vraag

Werkwoorden op -ir in de passé composé
Elle ________ (réussir) ses examens.

Slide 21 - Open vraag

Samengevat
Regelmatige ww:
DONNER: J'ai donné (= ik heb gegeven)
RÉPONDRE: tu as répondu (= jij hebt geantwoord)
FINIR: nous avons fini (= wij hebben beëndigd)

Voltooid deelwoord = regel:
STAM + é/u/i


Slide 22 - Tekstslide

Leerdoel 5
5Onregelmatige werkwoorden in de voltooide tijd zetten (avoir, être, faire & prendre).

Slide 23 - Tekstslide

Passé composé (2)
Onregelmatige ww:
AVOIR: j'ai eu (= ik heb gehad)
ÊTRE: j'ai été (= ik ben geweest)
FAIRE: j'ai fait (= ik heb gedaan)
PRENDRE: j'ai pris (= ik heb genomen)

Voltooid deelwoord uit je hoofd leren!


Slide 24 - Tekstslide

Traduis:
Hij is geweest
A
tu as eu
B
tu as été
C
il a eu
D
il a été

Slide 25 - Quizvraag

Traduis:
Wij hebben gedaan
A
nous avons fait
B
nous avons pris
C
vous avez fait
D
vous avez pris

Slide 26 - Quizvraag

Traduis:
Ik heb gehad
A
j'ai été
B
j'ai eu
C
j'ai fait
D
j'ai pris

Slide 27 - Quizvraag

Traduis:
Hij is geweest
A
tu as eu
B
tu as été
C
il a eu
D
il a été

Slide 28 - Quizvraag

Leerdoel 6
Het werkwoord être vervoegen in de présent.

Slide 29 - Tekstslide

je
tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
Combineer de juiste vorm van 'être' met het onderwerp
être (zijn)
Combineer de juiste vorm van être met het goede persoonlijk voornaamwoord
suis
es
est
sommes
êtes
sont

Slide 30 - Sleepvraag

Leerdoel 7
Werkwoorden die met het hulpwerkwoord être gaan in de voltooide tijd zetten.

Slide 31 - Tekstslide

Passé composé (3)
Tot nu toe hebben we als hulpwerkwoord AVOIR gezien.
Bijv. j'ai regardé, tu as fait, ils ont pris.

Maar je kunt ook het hulpwerkwoord ÊTRE gebruiken.
Dan moet je wel het voltooid deelwoord iets aanpassen soms.



Slide 32 - Tekstslide

Passé composé (4)
Heb je als hulpww ÊTRE (= zijn) dan moet je het voltooid deelwoord aanpassen, net als het bijvoeglijk naamwoord:

Amir est allé au Maroc.                                          (-)
Émilie est allée en France.                                   (+e)
Amir et Jamel sont allés en Tunisie.                (+s)
Émilie et Odette sont allées en Espagne.     (+es)



Slide 33 - Tekstslide

Choisis le bon mot.
Marc est (rester) ici.
A
resté
B
restée
C
restés
D
restées

Slide 34 - Quizvraag

Choisis le bon mot.
Marc et Antoine sont (entrer) ici.
A
entré
B
entrée
C
entrés
D
entrées

Slide 35 - Quizvraag

Choisis le bon mot.
Madeleine est (aller) au Sénégal.
A
allé
B
allée
C
allés
D
allées

Slide 36 - Quizvraag

Choisis le bon mot.
Madeleine a (visiter) le Sénégal.
A
visité
B
visitée
C
visités
D
visitées

Slide 37 - Quizvraag

Remplis le bon verbe.
Nicole (arriver, passé composé)

Slide 38 - Open vraag

Remplis le bon verbe.
Je/j' (remplir, passé composé) la fiche.

Slide 39 - Open vraag

Remplis le bon verbe.
Madame, vous (aller, passé composé)?

Slide 40 - Open vraag

Remplis le bon verbe.
Nous (choisir, passé composé) ça.

Slide 41 - Open vraag

Remplis le bon verbe.
Nous (rester, passé composé) ici.

Slide 42 - Open vraag

Meer oefenen?
Ga naar www.verbuga.eu
Liever met een ander onderwerp bezig? Bekijk andere LessonUps.

Slide 43 - Tekstslide