13. Procenten herhaling

Procenten 
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Procenten 

Slide 1 - Tekstslide

Piet heeft 30 procent van de batterij van zijn telefoon gebruikt. Hoeveel procent heeft hij nog over?
A
20 procent
B
80 procent
C
70 procent
D
50 procent

Slide 2 - Quizvraag

Hoeveel procent van dit raster is blauw?
A
10 procent
B
20 procent
C
25 procent
D
50 procent

Slide 3 - Quizvraag

Welk deel van dit raster is blauw?
A
1/10
B
1/5
C
1/4
D
1/2

Slide 4 - Quizvraag

Slide 5 - Tekstslide

10 procent
25 procent
50 procent
20 procent
1/4
1/10
1/2
1/5

Slide 6 - Sleepvraag

Bij een controle had 10% van de mensen een kapot fietslicht.

Hoeveelste deel van de mensen had een kapot fietslicht? Vereenvoudig zo ver mogelijk.
A
1/10
B
1/5
C
1/2
D
1/4

Slide 7 - Quizvraag

Het gaat niet goed met de verkoop van kaartjes voor het concert van de Toppers. Van de 10.000 kaartjes is de helft verkocht.

Hoeveel kaartjes zijn er verkocht?
A
100
B
2500
C
5000
D
7500

Slide 8 - Quizvraag

Johanna heeft deze week 8 van de 12 appels opgegeten.

Hoeveel procent van de appels heeft Johanna opgegeten? Rond af op een heel getal.
Uitleg
Eerst deel je de 8 door de 12.<div><br></div><div>8 : 12 =&nbsp;</div><div><br></div><div>Dan vermenigvuldig je dit antwoord met 100.</div><div><br></div><div><br></div><div>8 : 12 = ................&nbsp; X 100 =&nbsp;</div>
A
25 procent
B
50 procent
C
67 procent
D
75 procent

Slide 9 - Quizvraag

Een blik verf kost normaal 40 euro. Deze week krijg je 20 procent korting. Hoeveel betaal je voor een blik verf?
Uitleg
Deel het bedrag door 100<div><br></div><div>40 : 100 = .........</div><div><br></div><div>Vermenigvuldig de uitkomst met het aantal procent uit de vraag.</div><div><br></div><div>................ X 20 = ............</div><div><br></div><div>Je weet nu hoeveel korting je krijgt.</div><div>Trek deze korting van het hele bedrag af.</div><div><br></div><div>40 - ................................&nbsp; = ...................</div>
A
32 euro
B
30 euro
C
25 euro
D
20 euro

Slide 10 - Quizvraag

Zelfstandig werken


Maak alle opdrachten van Smartrekenen - hoofdstuk 13.

Slide 11 - Tekstslide