Hoofdstuk 1.2: Fasen en Faseovergangen

Hoofdstuk 1.2: Fasen en Faseovergangen
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 15 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 1.2: Fasen en Faseovergangen

Slide 1 - Tekstslide

de fase-aanduiding voor "vloeibaar" is
A
(s)
B
(l)
C
(g)
D
(aq)

Slide 2 - Quizvraag

Wat is de fase van water bij kamertemperatuur
A
vast
B
vloeibaar
C
gas
D
kun je niet weten

Slide 3 - Quizvraag

Welke fase is hier getekend?
A
gas
B
vloeistof
C
vast

Slide 4 - Quizvraag

Faseveranderingen 1 is?
A
verdampen
B
smelten
C
sublimeren
D
condenseren

Slide 5 - Quizvraag

Faseveranderingen 6 is?
A
rijpen
B
sublimeren
C
verdampen
D
condenseren

Slide 6 - Quizvraag

Welke fase heeft regen?
A
Vast
B
Vloeibaar
C
Gas

Slide 7 - Quizvraag

Hoe heet de faseovergang van vast naar gas?
A
smelten
B
stollen
C
rijpen
D
sublimeren

Slide 8 - Quizvraag

Een faseovergang is wanneer een stof van de ene fase naar de andere fase gaat dmv afkoelen of verwarmen
A
Juist
B
Onjuist
C
geen idee

Slide 9 - Quizvraag

Micro of macro?
Het zuurstofgehalte is gedaald in het water
A
Juist
B
Onjuist

Slide 10 - Quizvraag

Met het deeltjesmodel kun je de faseovergangen verklaren.

Wat is het belangrijkste verschil tussen de vloeibare fase en de gasfase?
A
In een vloeistof hebben de moleculen een vaste plek
B
In een vloeistof zitten de moleculen dichter op elkaar
C
In een vloeistof zijn de moleculen groter
D
In een vloeistof zijn de moleculen kleiner

Slide 11 - Quizvraag