Open bovenstaande link en gebruik de informatie bij het maken van de volgende opdracht
Slide 8 - Tekstslide
0%
9%
21%
paracetamol
pleisters
kauwgom
alcoholvrij bier
wijn
leidingwater
kapper
ballonvaart
zonnepanelen
exportauto
bergen zeeschepen
fiets
Slide 9 - Sleepvraag
iwsjl
21% tarief
Slide 10 - Tekstslide
21% tarief
Slide 11 - Tekstslide
Slide 12 - Tekstslide
Slide 13 - Tekstslide
Nu maken opdracht 1.4
Slide 14 - Tekstslide
en dan nu...aan het werk!
Slide 15 - Tekstslide
week 37 les 1
Huiswerk:
Opdracht 1.4
Les:
Case Bureau Next
Leerdoel:
Alle leerdoelen van hoofdstuk 1
Slide 16 - Tekstslide
Slide 17 - Tekstslide
Slide 18 - Tekstslide
verrassing!
Tot slot: presenteer jullie bevindingen
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Tekstslide
week 37 les 2
Huiswerk:
Opdracht 1.9
Les:
Uitleg 2.1: kosten van grond – en hulp-stoffen
Maken en bespreken opdracht 2.3
Leerdoel:
Je begrijpt het verschil tussen inkoopwaarde van de omzet en inkopen.
Slide 21 - Tekstslide
Wat is het verschil tussen
inkoopwaarde van de omzet en inkopen?
Slide 22 - Tekstslide
inkoopwaarde van de omzet en inkopen
Inkopen: voor welk bedrag je de voorraad hebt ingekocht
(Dit zijn GEEN kosten!)
Inkoopwaarde van de omzet: kosten van de verkochte goederen.
Slide 23 - Tekstslide
inkoopwaarde van de omzet en inkopen
Een handelsonderneming koopt goederen in en probeert deze tegen een hogere prijs te verkopen.
Door het inkopen van de goederen ontstaat een voorraad; deze voorraad wordt kleiner zodra de goederen verkocht worden.
Op het moment van verkoop worden volgens het matching principe ook de bijbehorende kosten verwerkt in de administratie. De waarde van de ingekochte goederen welke verkocht worden noemen we de inkoopwaarde van de omzet.
matching principe
kosten moeten worden verwerkt op het moment dat de bijbehorende opbrengst wordt gerealiseerd.
Slide 24 - Tekstslide
Een ondernemer koopt voor € 20.000 goederen in. De helft van deze goederen verkoopt hij voor € 30.000. Hoeveel bedragen de inkopen? (antwoord zonder € teken of tekens, bijv. 5600)
Slide 25 - Open vraag
Een ondernemer koopt voor € 20.000 goederen in. De helft van deze goederen verkoopt hij voor € 30.000. Hoeveel bedraagt de inkoopwaarde van de omzet? (antwoord zonder € teken of tekens, bijv. 5600)
Slide 26 - Open vraag
Een ondernemer koopt voor € 20.000 goederen in. De helft van deze goederen verkoopt hij voor € 30.000. Hoeveel bedraagt de omzet? (antwoord zonder € teken of tekens, bijv. 5600)
Slide 27 - Open vraag
Een ondernemer koopt voor € 20.000 goederen in. De helft van deze goederen verkoopt hij voor € 30.000. Hoeveel bedraagt de winst? (antwoord zonder € teken of tekens, bijv. 5600)
Slide 28 - Open vraag
Een ondernemer koopt voor € 20.000 goederen in. De helft van deze goederen verkoopt hij voor € 30.000. Met welk bedrag is de voorraad gestegen? (antwoord zonder € teken of tekens, bijv. 5600)
Slide 29 - Open vraag
is het mogelijk dat bij een onderneming de inkoopwaarde van de omzet groter is dan de inkopen tijdens een bepaalde periode?
A
ja
B
nee
Slide 30 - Quizvraag
Slide 31 - Tekstslide
Slide 32 - Tekstslide
Keuzemenu
1. Afmaken opgave Pen en Papier
(Als je een opgave op CSE HAVO niveau wil maken)
2. Maken opgave De Kleine
(Als je een opgave op CSE VWO niveau wil maken)
3. Maken opdracht 2.3 uit je boek
(Als je een taakopgave wil maken)
Slide 33 - Tekstslide
week 38 les 2
Huiswerk:
Opdracht 2.3
Les:
Uitleg 2.1: kosten van arbeid, duurzame productiemiddelen
Maken en bespreken opdracht 2.7
Uitdelen en toelichting PO examenopgave
Leerdoel:
Je kunt berekeningen maken met loonkosten (per eenheid product) en met afschrijvingskosten op basis van aanschafwaarde