Het werkwoord écrire, décrire en s'inscrire

1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Salut!
Via SOM heb je een bericht gekregen met een link naar een vragenlijst. Wil je deze zélf (dus zonder te overleggen) invullen voor we met de les beginnen?
Dank je wel!

Slide 2 - Tekstslide

Dit kan ik aan het eind van deze les:

- herkennen in welke tijd een werkwoord staat
- écrire vervoegen de présent, imparfait, passé composé
  futur (simple) en futur du passé
- vertalen wat de vervoegingen betekenen in het Nederlands
- verdieping: het werkwoord gebruiken in een zin



Slide 3 - Tekstslide

É C R I R E
Deze uitgangen gelden voor écrire, décrire en s'inscrire.

j'écris  =  ik schrijf                                                 |   ik heb geschreven = j'ai écrit (p.c.)
tu écris  =  jij schrijft                                            |   ik schreef = j'écrivais (imparfait)
il, elle, on écrit  = hij, zij, men schrijft             |   ik zal schrijven = j'écrirai (fut. simple)
nous écrivons  =  wij schrijven                         |   ik zou schrijven = j'écrirais (f. du passé)
vous écrivez  =  u schrijft, jullie schrijven
ils, elles écrivent  =  zij schrijven


Slide 4 - Tekstslide

décire (beschrijven) en s'inscrire (inschrijven)
Deze vervoeg je op dezelfde manier. Zie je de overeenkomsten?

j'écris = ik schrijf     |     je décris = ik beschrijf     |     je m'inscris = ik schrijf me in
j'ai écrit = ik heb geschreven                                   |     j'ai décrit = ik heb beschreven enz.

TIP! Wederkerende werkwoorden (met se, zoals s'inscrire) vervoeg je in de voltooide tijd altijd met hulpwerkwoord être (zijn).
VOORBEELD: je me suis inscrit = ik heb me ingeschreven

Slide 5 - Tekstslide

voornaamwoorden 'zich'
je me/m'
tu te/t'
il, elle, on se/s'
nous nous
vous vous
ils, elles se/s'

Slide 6 - Tekstslide

ik schrijf
A
je écris
B
j'écris
C
j'écrit
D
j'écrire

Slide 7 - Quizvraag

wij schrijven
A
vous écrivez
B
vous écrirez
C
nous écrirons
D
nous écrivons

Slide 8 - Quizvraag

nous avons écrit
A
wij hebben geschreven
B
jullie hebben geschreven
C
wij schreven
D
jullie schreven

Slide 9 - Quizvraag

il écrivait
A
hij schrijft
B
hij schreef
C
hij heeft geschreven
D
zij heeft geschreven

Slide 10 - Quizvraag

uitgangen van
de imparfait (schreef) + futur du passé (zou schrijven)
A
ais,ais,ait, ions,iez,aient
B
a,b,c,d,e,f,g
C
ai,as,a,ons,ez,ont
D
s,s,t,ons,ez,ent

Slide 11 - Quizvraag

uitgangen van futur (zal schrijven)
A
ais,ais,ait, ions,iez,aient
B
a,z,e,r,t,y
C
ai,as,a,ons,ez,ont
D
s,s,t,ons,ez,ent

Slide 12 - Quizvraag

ils écriront
A
présent
B
passé composé
C
imparfait
D
futur simple

Slide 13 - Quizvraag

ils ont écrit
A
présent
B
passé composé
C
imparfait
D
futur simple

Slide 14 - Quizvraag

elle écrivait
A
présent
B
passé composé
C
imparfait
D
futur du passé

Slide 15 - Quizvraag

elle écrirait
A
présent
B
passé composé
C
imparfait
D
futur du passé

Slide 16 - Quizvraag

Quelle forme est correcte?
A
j'écrivais
B
j'écrit
C
j'écrirons
D
j'écrivas

Slide 17 - Quizvraag

Quelle forme est correcte?
A
nous avons écrit
B
nous écrivez
C
nous écririez
D
nous sommes écrit

Slide 18 - Quizvraag

Au travail!

Opdracht 1 klik HIER
Opdracht 2 klik HIER
Opdracht 3 klik HIER
Opdracht 4 klik HIER

Klaar? Oefen met de Quizlet lijst.

Slide 19 - Tekstslide

Maak een kort zinnetje met
het werkwoord écrire.

Slide 20 - Woordweb

Denk ook terug aan de vorige les (werkwoord voir). Hoe goed beheers je de werkwoorden nu?
A
Goed, ik kan ze toepassen en ik ken ze al best goed uit mijn hoofd.
B
Met mijn aantekeningen erbij kan ik ze gebruiken in een zin, maar ik moet ze nog uit mijn hoofd leren.
C
Ik snap het een beetje, maar ik kan ze niet gebruiken in een zin.
D
Ik snap er niks van, de tijden vind ik moeilijk, ik kan ze niet gebruiken in een zin.

Slide 21 - Quizvraag