Preparar el examen de español
Preparar el examen de español
Open met het idee dat deze les gericht is op examenwoorden die leerlingen direct moeten herkennen en gebruiken: gebouwen, beroepen, plaatsaanduidingen en enkele losse woorden. Kondig ook aan dat de werkwoorden in de tegenwoordige tijd en het pretérito perfecto kort herhaald worden.
Aprender. Leren
Gramática
De Presente van regelmatige en onregelmatige werkwoorden (venir, cerrar, jugar, dormir, hacer, ir). p.64
Pretérito perfecto (onregelmatige voltooide deelwoorden romper, abrir, escribir, poner, ver, decir, volver, hacer en freír) p.65
Vocabulario
1 t/m 90 woorden Spaans - Nederlands en Nederlands Spaans
Gebouwen p. 62
Plaatsbepalingen p.62
Beroepen (vocabulario H6)
Escribir (pretérito perfecto). ¿Qué has hecho hoy?
Leer
Deze slide heeft geen instructies
Lesdoel
Preparo el examen de español de la unidad 6 para la semana de exámenes.
Deze slide heeft geen instructies
Welke Spaanse examenwoorden ken je al?
Gebruik de antwoorden als startpunt: verwacht gebouwen, beroepen, richtingen en werkwoorden. Haak kort aan bij bekende woorden voordat je verdergaat.
Gebouwen herkennen
In het examen moet je gebouwen op een afbeelding in het Spaans benoemen.
Let vooral op woorden voor:
school en studie
winkelen
vrije tijd
zorg en openbare plekken
Noem dat leerlingen bij dit soort vragen eerst naar functie kijken: leer je daar, koop je daar iets, krijg je daar hulp, of reis je via die plek? Dat helpt bij het herkennen van het juiste woord.
Gebouwen: veelvoorkomende woorden
el instituto = de middelbare school
el hospital = het ziekenhuis
la biblioteca = de bibliotheek
el restaurante = het restaurant
la piscina = het zwembad
el parque = het park
Deze woorden sluiten aan bij de rest van het examen, waar ook beroepen en locaties terugkomen. Leg verbanden: in een hospital werkt een médico, in een biblioteca een bibliotecario of bibliotecaria.
Gebouwen: nog meer examenwoorden
la farmacia = de apotheek
el supermercado = de supermarkt
la estación = het station
la tienda = de winkel
el jardín = de tuin
Niet elk woord hoeft letterlijk op de afbeelding te staan; leerlingen moeten het gebouw of de plek vaak uit de context afleiden. Wijs ook op lidwoorden: el of la horen bij het woord.
Zo onthoud je gebouwen
Koppel elk woord aan een situatie:
je leert op el instituto
je eet in el restaurante
je leent boeken in la biblioteca
je koopt medicijnen in la farmacia
Benadruk dat woordenschat beter blijft hangen in context dan in losse rijtjes. Laat eventueel mondeling extra voorbeelden geven zonder er een activiteit van te maken op de slide.
Losse woorden: set 1
Spaans → Nederlands
la en el horen bij het zelfstandig naamwoord
bici is een kort, veelgebruikt woord
abierto is het tegenovergestelde van cerrado
el trabajo - het werk
la bici - de fiets
abierto - open
un poco - een beetje
Let op
Je kunt bij abierto ook de link leggen naar cerrar/abrir uit het grammaticale deel. Zo zien leerlingen dat woordenschat en grammatica samenhangen.
Losse woorden: set 2
izquierda ↔ derecha
¿Por qué? vraagt om een reden
mientras verbindt twee acties in één zin
Handige koppels
Spaans → Nederlands
mientras - terwijl
¿Por qué? - waarom?
izquierda - links
derecha - rechts
Bij mientras kun je een eenvoudig voorbeeld geven, zoals: Yo estudio mientras mi hermano juega. Dat maakt de betekenis direct duidelijk.
Welk woord past bij: je leent boeken?
la farmacia
la biblioteca
la estación
el restaurante
De juiste keuze is la biblioteca. De andere opties zijn ook plekken uit dezelfde woordenlijst en dus plausibele afleiders.
Gebouwen en losse woorden
Ana va al supermercado para comprar comida. Después va a la farmacia porque necesita medicinas. La farmacia está en el hospital.
En el restaurante el camarero trae una coca-coca cola a Ana.
Estudio español en la biblioteca para la semana de exámenes de CSG Liudger.
Alle woorden komen direct uit de behandelde slides. Let op dat abierto hier logisch past als tegenstelling van cerrado.
Beroepen uit definities
Je leest een omschrijving en schrijft het beroep in het Spaans.
Let op drie dingen:
waar iemand werkt
wat iemand doet
welk woord logisch past
Benadruk dat leerlingen niet woord voor woord hoeven te vertalen. Ze moeten de kern herkennen: ziekenhuis + mensen beter maken = médico/médica.
Beroepen: de basiswoorden
el profesor / la profesora = docent
el médico / la médica = arts
el camarero / la camarera = ober
el jardinero / la jardinera = tuinman / hovenier
el bombero / la bombero= de brandweerman / de brandweervrouw
el granjero / la granjera = de boer / de boerin
Gebruik zowel mannelijke als vrouwelijke vormen, maar houd het eenvoudig. Als leerlingen één correcte vorm geven, is dat meestal voldoende zolang die grammaticaal klopt.
Signalen in definities
trabaja en un instituto → profesor / profesora
trabaja en un hospital → médico / médica
sirve comida o bebida → camarero / camarera
trabaja en parques y jardines → jardinero / jardinera
Wijs op sleutelwerkwoorden zoals trabaja, vende, sirve. Die geven vaak al bijna het hele antwoord weg.
Plaatsaanduidingen
Bij deze vraag beschrijf je waar iets ligt.
Belangrijke voorzetsels:
entre = tussen
debajo de = onder
encima de = op
Sluit aan bij de examenzin over sleutels en een tas. Leerlingen moeten niet alleen het woord kennen, maar ook de vaste combinatie met de.
Wat betekent het Spaanse voorzetsel "debajo de" in het Nederlands?
achter
onder
boven
tussen
Deze slide heeft geen instructies
Welke Spaanse plaatsaanduiding betekent "rechts"?
a la izquierda
detrás
a la derecha
cerca
Deze slide heeft geen instructies
Kies de juiste Spaanse vertaling van "tussen".
lejos
delante
entre
encima de
Deze slide heeft geen instructies
¿Qué has hecho hoy? Escribe 5 frases y utiliza el pretérito perfecto
Deze slide heeft geen instructies
De sleutels liggen boven de tas. Welke Spaanse zin past het best?
Las llaves están a la izquierda del bolso.
Las llaves están encima del bolso.
Las llaves están al lado del bolso.
Las llaves están a la derecha del bolso.
Deze slide heeft geen instructies
De sleutels liggen naast de tas. Welke Spaanse zin hoort erbij?
Las llaves están encima del bolso.
Las llaves están a la izquierda del bolso.
Las llaves están al lado del bolso.
Las llaves están a la derecha del bolso.
Deze slide heeft geen instructies
De sleutels liggen rechts van de tas. Welke Spaanse zin is correct?
Las llaves están a la derecha del bolso.
Las llaves están al lado del bolso.
Las llaves están encima del bolso.
Las llaves están a la izquierda del bolso.
Deze slide heeft geen instructies
De sleutels liggen links van de tas. Welke Spaanse zin past?
Las llaves están al lado del bolso.
Las llaves están a la derecha del bolso.
Las llaves están a la izquierda del bolso.
Las llaves están encima del bolso.
Deze slide heeft geen instructies