neuvième cours: le 9 octobre 2026

1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Klassenregels
We werken rustig samen in de klas.
We respecteren elkaar. We lachen elkaar niet uit en respecteren elkaars mening en antwoorden.
Tijdens het maken van de opdrachten zijn we rustig bezig en gaan we niet kletsen met klasgenoten.
We doen actief mee met de les, we leggen de telefoons dan ook weg.
We overleggen zachtjes binnen de MC als we een vraag hebben.
We steken onze vinger op als we iets willen zeggen en/of vragen.
We geven het aan onze docente aan wanneer ons iets dwars zit.
We laten elkaar uitpraten.
We eten en drinken niet in het klaslokaal.
We letten op in de les.
Tijdens het zelfstandig werken mag je oortjes in of een koptelefoon op

Slide 2 - Tekstslide

Bonjour et bienvenue

Slide 3 - Tekstslide

e
  • Lesinhoud vrijdag 9 oktober:
  • Uitleg verschil passé composé vs imparfait 
  • Oefenen passé composé vs imparfait 
  • Exit-ticket
Lesdoelen:
1. Ik kan de passé composé en de imparfait herkennen.
2. Ik kan de passé composé en imparfait op de juiste manier toepassen


Slide 4 - Tekstslide

Schrijf op wat jij nog weet over het verschil tussen de imparfait en de passé composé.

Slide 5 - Open vraag

Passé composé (=voltooid tegenwoordige tijd)

1. Beschrijft een specifieke en afgesloten gebeurtenis in het verleden. "is dit een gebeurtenis die ik als afgerond kan zien?"
2. Veelvoorkomende tijdsaanduidingen voor de passé composé: hier, ce matin, quand, la semaine dernière, soudain, tout de suite

Exemples:
1. J'ai mangé une pomme
2. Hier, elle a regardé un film
3. Ce matin, j'ai fait des courses
4. Je mangeais une pomme quand le téléphone a sonné






Imparfait (=onvoltooid verleden tijd)

1. Beschrijving. "Hoe was iets?"
2. Gewoonte. Iets dat regelmatig gebeurd 
3. Situaties die langer duurden
4. Het schetst de achtergrond van een verhaal

Exemples:
1. Il faisait beau (= het weer was mooi)
2. Nous allions souvent à la plage (= we gingen vaak naar het strand)
3. Elle habitait chez ses parents (= ze woonde bij haar ouders)
4. Il pleuvait le jour où je t'ai rencontré (= het regende op de dag dat ik je heb ontmoet)


Slide 6 - Tekstslide

Ezelsbruggetje
Passé composé = wat er gebeurde
Imparfait = hoe het was of wat er bezig was

Slide 7 - Tekstslide

Hier soir, nous ______ (regarder) un film.

Slide 8 - Open vraag

Quand j'étais petit, je ______ (jouer) souvent dans le jardin.

Slide 9 - Open vraag

Il ______ (pleuvoir) quand je suis sorti

Slide 10 - Open vraag

Pendant le cours, un élève ______ (poser) une question

Slide 11 - Open vraag

Tous les étés, nous ______ (aller) en Espagne.

Slide 12 - Open vraag

Passé composé ou imparfait

L’année dernière, nous (aller) ______________________ aux Pays-Bas.

Slide 13 - Open vraag

Imparfait ou passé composé?
Tout de suite après l'école nous ... chez McDo.
A
allions
B
sommes allés

Slide 14 - Quizvraag

Uitgangen 
passé composé & imparfait 

Slide 15 - Tekstslide

De passé composé wordt:
donner  (geven)
vendre  (verkopen)
finir  (eindigen)
j'
ai donné
ai vendu
ai fini
tu
as donné
as vendu
as fini
il/elle/on
a donné
a vendu
a fini
nous
avons donné
avons vendu
avons fini
vous
avez donné
avez vendu
avez fini
ils/elles
ont donné
ont vendu
ont fini

Slide 16 - Tekstslide

Passé composé être
Bij être in de passé composé past het voltooid deelwoord zich aan het onderwerp aan in geslacht en getal. Dus:

Mannelijk enkelvoud: + niks. ("Il est arrivé")
Vrouwelijk enkelvoud: + e. ("Elle est arrivée")
Mannelijk meervoud: + s. ("Ils sont arrivés")
Vrouwelijk meervoud: + es. ("Elles sont arrivées")

Let op: dit gebeurt niet als avoir het hulpwerkwoord is. 
Voorbeeld: il a parlé, elle a parlé, ils ont parlé, elles ont parlé

Slide 17 - Tekstslide

Uitgangen imparfait

De stam van de imparfait = 
nous-vorm présent - ons 
+ uitgangen

Uitgangen imparfait
ais-ais-ait-ions-iez-aient

Exemples:
- Avoir: Nous avons --> av- =Nous avions
- Aller: Nous allons --> all- =Nous allions

ATTENTION! être --> ét 
= Nous étions

Slide 18 - Tekstslide

être, avoir en aller imparfait
être
avoir
aller
je/j'
étais
avais
allais
tu
étais
avais
allais
il/elle/on
était
avait
allait
nous
étions
avions
allions
vous
étiez
aviez
alliez
ils/elles
étaient
avaient
allaient

Slide 19 - Tekstslide

Vul de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
Ils .......................... (avoir, présent) quinze ans.

Slide 20 - Open vraag

Vul de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
Tu .......................... (aller, imparfait) en France.

Slide 21 - Open vraag

Vul de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
J' .......................... (avoir,imparfait) dix ans.

Slide 22 - Open vraag

Vul de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
Elle .......................... (aller, passé composé) au Denmark.

Slide 23 - Open vraag

Vul de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat.
Elle .......................... (lire, imparfait) un livre quand son amie est arrivée.

Slide 24 - Open vraag

e
Huiwerk voor 14 oktober:
  • Neem een woordenboek mee!
  • Apprends: Vocabulaire 2 chapitre 1,2 et 3 (p.44, 45, 81, 82, 116 et 117) 
Lesdoelen:
1. Ik kan de passé composé en de imparfait herkennen.
2. Ik kan de passé composé en imparfait op de juiste manier toepassen


Slide 25 - Tekstslide

Exit-ticket
Écris dans ton cahier en présent, au passé composé et à l'imparfait:

1. Waar ben je op dit moment mee bezig op school?
2. Wat heb je gedaan deze week?
3. Waar ben je naar toe gegaan deze week?
4. Een gewoonte van vroeger: "Quand j'étais jeune, ..."

Laat je zinnetjes door Jesse controleren










Slide 26 - Tekstslide