3.2 Deel berekenen

3.2 Deel berekenen
N2
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

3.2 Deel berekenen
N2

Slide 1 - Tekstslide

Doelen van deze les
Je kunt een deel van een hoeveelheid berekenen met een gegeven percentage.

Je kunt schattend en precies twee delen van een hoeveelheid vergelijken.

Je kunt schattend en precies rekenen met afname.

Slide 2 - Tekstslide

Bedenk een situatie met deze afbeelding.

Slide 3 - Open vraag

Deel bepalen
Er melden zich 600 studenten aan voor de opleiding Mediavormgeven aan het Grafisch Lyceum. Op basis van hun portfolio wordt 75% toegelaten tot de opleiding. 

Hoeveel studenten zijn dat?
Dit kun je op twee manieren uitrekenen.

Slide 4 - Tekstslide

Rekenen via 1%
Je deelt het totaal aantal studenten door 100.

1% van 600 = 600 : 100 = 6 studenten
75% van 600 = 75 × 6 = 450 studenten

Een verhoudingstabel helpt hierbij.

Slide 5 - Tekstslide

Rekenen via een handig getal
75% is driekwart van de studenten.
Bepaal eerst wat een kwart van de studenten is.
600 : 4 = 150 studenten
Bepaal dan wat driekwart is door 150 met 3 te vermenigvuldigen.
3 × 150 = 450 studenten

Slide 6 - Tekstslide

Een autogarage bestelt per week ongeveer 120 auto-onderdelen. 25% hiervan zijn banden. Hoeveel banden worden er besteld?
A
30 autobanden
B
60 autobanden
C
75 autobanden
D
90 autobanden

Slide 7 - Quizvraag

Twee delen vergelijken
Grace en Esma zijn een eigen bedrijfje gestart en verkopen leren sieraden op festivals.

Van de leren armbanden hebben ze 85% van de 1.200 exemplaren verkocht.
Van de leren kettingen hebben ze 90% van de 1.100 exemplaren verkocht.
Waarvan hebben ze het meest verkocht?

Slide 8 - Tekstslide

Twee delen vergelijken
Neem eerst 1% van de hoeveelheid en vermenigvuldig dat met het verkochte percentage:

Armbanden: 1% van 1.200 = 12
85% van 1.200 = 85 × 12 = 1.020

Kettingen: 1% van 1.100 = 11
90% van 1.100 = 90 × 11 = 990

Slide 9 - Tekstslide

Op Koningsdag verkoopt een pizzaria 150 pizza's. 60% hiervan zijn met vlees. Hoeveel pizza's zijn dat?
A
75
B
80
C
90
D
100

Slide 10 - Quizvraag

Snackbar de Schijf verkoopt per week 300 snacks. 40% daarvan zijn frikandellen. Snackbar de Frituurpan verkoopt per week 400 snacks.
30% daarvan zijn frikandellen. Bij welke snackbar verkopen ze procentueel de meeste frikandellen?
A
Snackbar de Schijf
B
Snackbar de Frituurpan
C
Ze verkopen allebei evenveel.
D
Ik heb écht geen idee.

Slide 11 - Quizvraag

Rekenen met afname

Slide 12 - Tekstslide

Melle heeft een iPhone op afbetaling gekocht.
De iPhone kostte € 1.600.
Inmiddels heeft hij 40% van de schuld afbetaald.
Hoeveel moet hij nog betalen?
A
€460
B
€640
C
€690
D
€960

Slide 13 - Quizvraag

Berekening:
Bereken eerst hoeveel hij heeft afbetaald en dan hoeveel hij nog moet betalen:
Bereken 1% van het totale bedrag → € 1600 : 100 = € 16
Vermenigvuldig dat met 40 → 40 × € 16 = € 640 afbetaald
Melle moet nog € 1.600 – € 640 = € 960 betalen.

Slide 14 - Tekstslide

Berekening:
Je kan ook eerst het percentage berekenen dat hij nog moet betalen en dan uitrekenen hoeveel dat is:
100% − 40% = 60% betalen
Bereken 1% van het totale bedrag → € 1600 : 100 = € 16
Vermenigvuldig dat met 60 → 60 × € 16 = € 960
Melle moet nog € 960 betalen.

Slide 15 - Tekstslide

Aan de slag!
Werk in Rekenblokken aan 3.2 Deel berekenen.

Slide 16 - Tekstslide

3.2 Deel berekenen
N3

Slide 17 - Tekstslide

Doelen van deze les
Je kunt een deel van een hoeveelheid en een percentage berekenen.
 
Je kunt schattend en precies drie delen van een hoeveelheid vergelijken.

Je kunt schattend en precies rekenen met afname.

Slide 18 - Tekstslide

In welke gevallen is het handig om met percentages te rekenen?

Slide 19 - Open vraag

Hoeveel mensen hebben een iPhone? Laat je berekening zien of bespreek het met de docent.

Slide 20 - Open vraag

Deel van een hoeveelheid berekenen
deel = totaal : 100 × percentage
Voorbeeld:
Bij een fietsenmaker worden 150 fietsen opgeknapt. Aan het eind van de week is 60% van de fietsen klaar voor verkoop.
Van die 60% wordt 20% binnen een week verkocht.
Hoeveel fietsen zijn dat?

Slide 21 - Tekstslide

Berekening
Reken eerst uit hoeveel van de 150 fietsen aan het eind van de week klaar zijn voor verkoop.
60% van 150 fietsen, dat is: 150 : 100 × 60 = 90 fietsen
Reken dan uit hoeveel van die 90 opgeknapte fietsen binnen een week zijn verkocht.
20% van 90 fietsen, dat is: 90 : 100 × 20 = 18 fietsen

Slide 22 - Tekstslide

Een sportschool in Apeldoorn heeft 1200 leden.
75% hiervan woont in Apeldoorn. 40% hiervan is vrouw. Om hoeveel vrouwen gaat het hier?
A
900 vrouwen
B
360 vrouwen
C
480 vrouwen
D
550 vrouwen

Slide 23 - Quizvraag

Percentage berekenen
Als je weet hoeveel het totaal is en ook hoe groot het deel is, kun je uitrekenen hoeveel procent dat deel is. Je berekent dit percentage door het deel te delen door het geheel en dit te vermenigvuldigen met 100:

percentage = deel : geheel × 100

Slide 24 - Tekstslide

Hoeveel mensen dragen een bril? Wat is het percentage?

Slide 25 - Open vraag

Voorbeeld
Je weet na afloop van een toets dat je 68 van de 80 vragen goed beantwoord hebt. Ook weet je dat je een voldoende krijgt als je 80% van de vragen goed beantwoord hebt. 
Hoe bereken je of je een voldoende hebt gehaald voor je toets?
Bereken het percentage van de vragen dat je goed beantwoord hebt.
68 van de 80 vragen goed, dat is 68 : 80 × 100 = 85%
Dat is meer dan 80%. Je hebt dus een voldoende gehaald voor de toets.


Slide 26 - Tekstslide