toets 4

1. Wat houdt sociaal rijgedrag in?
A
Andere weggebruikers helpen waar nodig dan wel wenselijk ook als zij bewust of onbewust fouten maken.
B
Respecteren van de verkeersregels en effectief kijken.
C
Niet middels gebaren en verbaal anderen duidelijk maken dat zij zich moeten houden aan de verkeersregels.
1 / 20
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

1. Wat houdt sociaal rijgedrag in?
A
Andere weggebruikers helpen waar nodig dan wel wenselijk ook als zij bewust of onbewust fouten maken.
B
Respecteren van de verkeersregels en effectief kijken.
C
Niet middels gebaren en verbaal anderen duidelijk maken dat zij zich moeten houden aan de verkeersregels.

Slide 1 - Quizvraag

2. Met welke snelheid moet de motorrijder invoegen op de auto(snel)weg, als er geen andere bestuurders naderen of nagenoeg geen andere bestuurders naderen?
A
De gebruikelijke snelheid op die weg.
B
Minimaal 80 km per uur.
C
Motorrijder mag zelf bepalen.

Slide 2 - Quizvraag

3. Wanneer mag de motorrijder terugkeren in geval van inhalen?
A
Wanneer het ingehaalde voertuig geheel in de spiegel zichtbaar is.
B
Wanneer de voorkant van het voertuig in de rechter spiegel zichtbaar is.
C
Wanneer de voorzijde van het voertuig is gepasseerd.

Slide 3 - Quizvraag

4. Wat is positie op de weg in geval van tegenkomen van een motorvoertuig op meer dan 2 wielen?
A
Zoveel mogelijk rechts.
B
Zoveel mogelijk links.
C
Midden van de rijstrook of midden van het weghelft aanhouden.

Slide 4 - Quizvraag

5. Er wordt in groepsverband gereden. Ingeval de groep uit elkaar valt, wat moet de 1e motorrijder doen?
A
Doorrijden.
B
1e mogelijkheid (1e afslag/ veilige plaats) wachten.
C
Terugrijden.

Slide 5 - Quizvraag

6. Wat is het nadeel van krassen in het vizier?
A
Slecht zicht bij zonlicht.
B
Slecht zicht bij regen.
C
Vizier beslaat sneller.

Slide 6 - Quizvraag

7. Wanneer moet je terugschakelen bij precisiestop?
A
Bij het gas los laten.
B
Wanneer je snelheid gelijk is met je toerental.
C
Net voordat je tot stilstand komt.

Slide 7 - Quizvraag

8. Wanneer mag je alleen je voor rem gebruiken?
A
Op en afstappen.
B
Om een rem signaal te geven.
C
Beide antwoorden zijn niet juist.

Slide 8 - Quizvraag

9. Wat heeft meer onderhoud nodig?
A
Ketting
B
Cardanas
C
Beide evenveel

Slide 9 - Quizvraag

10. Juiste valhelm hoeveel proces minder letsel?
A
75%
B
50%
C
25%

Slide 10 - Quizvraag

11. Hoeveel oefeningen moet je goed hebben bij cluster 2 tot 4?
A
Bij cluster 2, 2 goed en bij cluster 3 en 4 minstens 1 goed.
B
Bij cluster 2, 1 goed en bij cluster 3, 1 goed en cluster 4, 1 goed.
C
Bij cluster 2, 3 goed en bij cluster 3, 1 goed en cluster 4, 2 goed.

Slide 11 - Quizvraag

12. Wanneer dient men de snelheid op te voeren in een onoverzichtelijke bocht?
A
Halverwege de bocht
B
Als einde van de bocht zichtbaar is
C
Rechte stuk weg zichtbaar is na de bocht

Slide 12 - Quizvraag

13. Je bent 40 jaar oud. Je hebt rijbewijs A1 gehaald. Wat mag de maximale vermogen zijn, wat je mag besturen?
A
Maximaal 11 KW
B
Maximaal 35 KW
C
Meer dan 35 KW

Slide 13 - Quizvraag

14. Je bent 40 jaar oud. Je hebt rijbewijs A1 gehaald. Na hoeveel jaar mag je het rijbewijs A halen?
A
Na 2 jaar.
B
Na 4 jaar.
C
Meteen.

Slide 14 - Quizvraag

15. Hoe wordt de profieldiepte vastgesteld?
A
Combinatieprofiel.
B
Profiel dwarsrichting.
C
Aan de hand van de hoofdgroeven over de hele omtrek van het loopvlak. (lengterichting)

Slide 15 - Quizvraag

16. Wat is het nadeel van een nieuwe band?
A
Bescherming in de band.
B
Oncomfortabel rijden.
C
Band moet om de velg heen juiste positie innemen.

Slide 16 - Quizvraag

17. Wanneer veroorzaakt de 1ste motorrijder een harmonica effect als in groepsverband wordt gereden?
A
Door onnodig teveel te remmen.
B
Door niet te remmen.
C
Onbekend.

Slide 17 - Quizvraag

18. Je bent 23 jaar oud. Je bent in het bezit van een rijbewijs A2. Wanneer mag je voor categorie A afrijden?
A
Na 2 jaar.
B
Na je 24e verjaardag.
C
Meteen.

Slide 18 - Quizvraag

19. In welk geval mag je zoveel mogelijk links rijden?
A
Invoegen.
B
Uitvoegen.
C
Onoverzichtelijk kruispunt met een zijstraat rechts.

Slide 19 - Quizvraag

20. Waar is de middelpuntvliedende kracht het meest van afhankelijk?
A
Snelheid, straal van de bocht en massa voertuig.
B
Snelheid, bocht zicht.
C
Snelheid en massa van het voertuig.

Slide 20 - Quizvraag