EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Quiz
Terugblik: Afgeleide functies
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Quiz
Terugblik: Afgeleide functies
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden.
Wat is de afgeleide van f(x) = 2x⁵ − x²?
f′(x) = 10x⁴ − 2x
f′(x) = 10x⁴ − 2
f′(x) = 2x⁴ − 2x
f′(x) = 10x⁵ − 2x
2 · 5x⁴ = 10x⁴ en x² wordt 2x. De afleiders: x² als 2 differentiëren, de factor 5 vergeten, of de exponent niet verlagen.
Welke notatie hoort bij een differentiequotiënt?
dy/dx
f′(x)
Δy/Δx
f′(2)
Δy/Δx is de gemiddelde verandering op een interval. dy/dx en f′(x) zijn notaties voor de afgeleide; f′(2) is een differentiaalquotiënt (de helling in één punt).
Bereken het differentiequotiënt van f(x) = √x op het interval [4, 9].
Δy = √9 − √4 = 3 − 2 = 1 en Δx = 9 − 4 = 5, dus Δy/Δx = 1/5 = 0,2. Verwachte fout: Δy vergeten te delen door Δx (antwoord 1).
Neem f(x) = x² + 3x. Welke benadering van f′(1) geeft het interval van x = 1 tot x = 1,01?
0,0501
4,99
5,01
50,1
f(1,01) = 1,0201 + 3,03 = 4,0501 en f(1) = 4, dus Δy = 0,0501 en Δy/Δx = 0,0501/0,01 = 5,01. De echte helling is f′(1) = 2 + 3 = 5. 0,0501 is alleen Δy; 50,1 deelt door 0,001.
Op het interval [1, 4] geldt f′(x) < 0. Wat doet de grafiek van f daar?
f daalt
f stijgt
f ligt onder de x-as
f heeft daar een top
Een negatieve helling betekent dalen. 'f ligt onder de x-as' verwart de helling met de functiewaarde; een top kan niet, want dan moet f′ van positief naar negatief gaan.
Wat is de afgeleide van f(x) = (4x + 1)²?
f′(x) = 2(4x + 1)
f′(x) = 4(4x + 1)
f′(x) = 16x + 1
f′(x) = 8(4x + 1)
2(4x + 1) · 4 = 8(4x + 1) = 32x + 8. 2(4x + 1) vergeet de kettingregel; 4(4x + 1) vergeet de exponent 2; 16x + 1 is fout uitgewerkt.
Vul in
Bij f(x) = (5x − 2)⁶ is f′(x) = 30(5x − 2)⁵. De kettingregel geeft de extra factor 5.
6 · (5x − 2)⁵ · 5 = 30(5x − 2)⁵. Wie 6 invult, vergeet de factor 5 van de kettingregel.
Neem f(x) = x² − 4x. Voor welke x geldt f′(x) = 0?
x = 0
x = 2
x = 4
x = −2
f′(x) = 2x − 4 = 0 geeft x = 2: daar ligt de top van de dalparabool, het dal. x = 0 en x = 4 zijn de nulpunten van f zelf, niet van f′.
Gegeven is f(x) = 4x³. Bereken f′(−1).
f′(x) = 12x², dus f′(−1) = 12 · 1 = 12. Verwachte fout: −12, door het kwadraat van −1 als −1 te nemen. Of −4 als je f(−1) uitrekent.
Gegeven is f(x) = 6√x. Bereken f′(9) exact.
f(x) = 6 · x tot de macht ½, dus f′(x) = 3 · x tot de macht −½ = 3/√x en f′(9) = 3/3 = 1. Verwachte fout: 9, door 3√x als afgeleide te nemen (de exponent niet verlaagd).
Neem g(x) = 3 · f(x) + 2 en f′(1) = 4. Wat is g′(1)?
12
14
4
7
g′(x) = 3 · f′(x): de factor 3 blijft staan en de constante 2 valt weg. Dus g′(1) = 3 · 4 = 12. 14 telt de 2 erbij op; 4 vergeet de factor 3; 7 telt 3 en 4 op in plaats van ze te vermenigvuldigen. Dit is het verband tussen f(x) en c · f(x) + d uit de syllabus (D3).
Neem h(x) = f(2x) en f′(4) = 5. Wat is h′(2)?
5
20
10
2,5
Kettingregel: h′(x) = 2 · f′(2x), dus h′(2) = 2 · f′(4) = 2 · 5 = 10. 5 vergeet de factor 2; 20 gebruikt de factor 4 (de x-waarde); 2,5 deelt door 2. Dit is het verband tussen f(x) en f(cx + d) uit de syllabus (D3).
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Goed gedaan!
Kijk de vragen na die je fout had. Oefen de regels: machtsregel, somregel en kettingregel.
Deze slide heeft geen instructies