EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Examentraining
Afgeleide functies: zo pak je examenvragen aan
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Examentraining
Afgeleide functies: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen.
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over hellingen en afgeleiden herkennen en stap voor stap uitwerken.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees het werkwoord: bereken, toon aan, exact? Bij exact of algebraïsch geen GR-optie.
2. Herschrijf: wortels en breuken als macht van x; (ax + b)ⁿ laat je staan.
3. Differentieer per term en noteer f′(x) = ...
4. Vul in en controleer zo mogelijk met de GR.
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Vraagtype 1: verandering in een context
Gemiddelde verandering op een interval: het differentiequotiënt Δy/Δx.
Verandering op één moment: de afgeleide in dat punt.
Zet de eenheid erbij: hoogte in m en tijd in s geeft m/s.
In examens staat de afgeleide vaak in een context: snelheid, groeisnelheid, kosten per stuk. Laat leerlingen bij elke vraag eerst zeggen: gemiddeld (interval) of op één moment (punt)?
Hiernaast de hoogte h van een bal (in m) na t seconden. Bereken de gemiddelde snelheid op [0, 2] in m/s.
h(0) = 1 en h(2) = −4,9 · 4 + 40 + 1 = 21,4. Δh/Δt = (21,4 − 1)/2 = 10,2 m/s. Verwachte fout: alleen h(2) uitrekenen (21,4) of niet delen door 2.
Dezelfde bal. Hoe snel stijgt de bal op het moment t = 1,5?
5,3 m/s
14,7 m/s
10,2 m/s
20,0 m/s
h′(t) = −9,8t + 20, dus h′(1,5) = −14,7 + 20 = 5,3 m/s. 14,7 is alleen −9,8 · 1,5 zonder teken; 10,2 is de gemiddelde snelheid op [0, 2] uit de vorige vraag; 20,0 m is ongeveer de hoogte h(1,5) = 19,975, geen snelheid.
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Vraagtype 2: de afgeleide bepalen
Herschrijf eerst, differentieer dan per term.
Schrijf de tussenstap met machten op: zo blijkt welke regel je gebruikt.
Laat de tussenstap met machten altijd opschrijven: daar zitten de punten bij een vraag als 'bepaal de afgeleide'.
Gegeven is f(x) = 3x⁴ − 2x + 7. Bereken f′(1).
f′(x) = 12x³ − 2, dus f′(1) = 12 − 2 = 10. Verwachte fouten: f(1) = 8 uitrekenen in plaats van f′(1), of de 7 laten staan (f′(1) = 17).
Wat is de afgeleide van f(x) = 1/x³?
f′(x) = −3/x²
f′(x) = 3/x⁴
f′(x) = 1/(3x²)
f′(x) = −3/x⁴
1/x³ = x⁻³, dus f′(x) = −3x⁻⁴ = −3/x⁴. −3/x² rekent −3 − 1 als −2; 3/x⁴ vergeet het minteken; 1/(3x²) differentieert alleen de noemer en zet hem eronder.
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Vraagtype 3: kettingregel
Herken de vorm (ax + b)ⁿ, ook in een wortel.
Vergeet de factor a niet.
Bij een wortel eerst herschrijven tot exponent ½. Op havo wiskunde B is de binnenste functie altijd lineair.
Wat is de afgeleide van f(x) = (1 − 2x)⁵?
f′(x) = 5(1 − 2x)⁴
f′(x) = −10(1 − 2x)⁴
f′(x) = 10(1 − 2x)⁴
f′(x) = −10x(1 − 2x)⁴
5(1 − 2x)⁴ · −2 = −10(1 − 2x)⁴. 5(1 − 2x)⁴ vergeet de kettingregel; 10(1 − 2x)⁴ vergeet het minteken van −2x; −10x(1 − 2x)⁴ vermenigvuldigt met −2x in plaats van met −2.
Gegeven is f(x) = √(2x + 5). Bereken f′(2) exact.
f(x) = (2x + 5) tot de macht ½, dus f′(x) = ½ · (2x + 5) tot de macht −½ · 2 = 1/√(2x + 5). f′(2) = 1/√9 = 1/3. Exact betekent: geen afgerond antwoord als 0,33 en geen dy/dx van de GR. Verwachte fout: de factor 2 vergeten, dan krijg je 1/6.
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Vraagtype 4: grafiek en hellinggrafiek
Lees bij een grafiek van f af waar hij stijgt en daalt: daar is f′ positief of negatief.
Lees bij een grafiek van f′ de tekenwisselingen af: daar heeft f een top of dal.
Let op: de hoogte van f′ zegt iets over de steilheid van f, niet over de hoogte.
Teken bij twijfel een tekenschema van f′ onder de grafiek: + of − per interval.
Hieronder de grafiek van f. Op welk interval is f′(x) negatief?
1 < x < 3
x < 1 of x > 3
0 < x < 4
x > 3
f daalt tussen de top bij x = 1 en het dal bij x = 3, dus daar is f′(x) negatief. Ter controle: f(x) = x³ − 6x² + 9x + 1 en f′(x) = 3x² − 12x + 9 = 3(x − 1)(x − 3). Wie x < 1 of x > 3 kiest, verwisselt stijgen en dalen; 0 < x < 4 kijkt naar waar f laag is. Image credit: Eigen figuur
Hieronder de grafiek van f′. Welke uitspraak over f klopt?
f heeft een top bij x = 3
f heeft een dal bij x = 1
f heeft een dal bij x = 3
f daalt voor x > 3
f′ gaat bij x = 3 van negatief naar positief, dus f heeft daar een dal (bij x = −1 een top). x = 1 is het laagste punt van f′: daar daalt f het steilst, maar het is geen dal van f. Voor x > 3 is f′ positief, dus f stijgt. Image credit: Eigen figuur
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Verandering in een context
De afgeleide bepalen
Kettingregel
Grafiek en hellinggrafiek
Deze slide heeft geen instructies
EXAMENSTOF · WISKUNDE B · ANALYSE · AFGELEIDE
Tips voor op het examen
Schrijf bij een differentiequotiënt het interval en de berekening op.
Herschrijf wortels en breuken als macht van x voordat je differentieert.
Kettingregel: vergeet de factor voor x binnen de haakjes niet.
Bij exact: geen afgeronde tussenantwoorden en geen dy/dx van de GR.
Deze slide heeft geen instructies