13.1 B Perforaties

13.1 B Perforaties
Ik kan de coördinaten van een perforatie berekenen met de limiet. 
Ik kan de waarde van een parameter bereken waarvoor er een perforatie bestaat. 
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 26 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

13.1 B Perforaties
Ik kan de coördinaten van een perforatie berekenen met de limiet. 
Ik kan de waarde van een parameter bereken waarvoor er een perforatie bestaat. 

Slide 1 - Tekstslide

Een handig stappenplan


Voor dit soort opgaven (limieten) kun je dus deze volgorde gebruiken:

Vul eerst de waarde in.
Komt er een normaal getal uit? → klaar.
Komt er 0/0 uit? → doorgaan.
Probeer teller en noemer te ontbinden.
Zoek een gemeenschappelijke factor, vaak (x-a) als de limiet naar  a gaat.
Deel die factor weg.
Vul (x=a) opnieuw in.

Slide 2 - Tekstslide

Continumakende waarde berekenen met een limiet




Dus 4 is de continumakende waarde voor x=2
​x→2​lim​​​x−2​​x​2​​−4​​=​x→2​lim​​​x−2​​(x+2)(x−2)​​=​x→2​lim​​(x+2)=2+2=4

Slide 3 - Tekstslide

Continumakende waarde berekenen met een limiet




Dus 4 is de continumakende waarde voor x=2
De functie heeft een perforatie in (2,4)
​x→2​lim​​​x−2​​x​2​​−4​​=​x→2​lim​​​x−2​​(x+2)(x−2)​​=​x→2​lim​​(x+2)=2+2=4

Slide 4 - Tekstslide

Wanneer heeft een functie een perforatie?


Teller en noemer zijn gelijktijdig 0

Dan kán er een perforatie zijn

Slide 5 - Tekstslide

Wanneer heeft een functie een perforatie?


Teller en noemer zijn gelijktijdig 0

Dan kán er een perforatie zijn

Slide 6 - Tekstslide

voorbeeld
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​

Slide 7 - Tekstslide

voorbeeld
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​

Slide 8 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​

Slide 9 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​

Slide 10 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​=​x→3​lim​​​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​=

Slide 11 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​=​x→3​lim​​​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​=​x→3​lim​​​x−2​​x−4​​=

Slide 12 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​=​x→3​lim​​​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​=​x→3​lim​​​x−2​​x−4​​=​3−2​​3−4​​

Slide 13 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​=​x→3​lim​​​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​=​x→3​lim​​​x−2​​x−4​​=​3−2​​3−4​​=−1

Slide 14 - Tekstslide

voorbeeld



Teller en noemer zijn 0 bij x=3


De functie heeft een perforatie bij (3,-1)
f(x)=​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​
f(x)=​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​
​x→3​lim​​​x​2​​−5x+6​​x​2​​−7x+12​​=​x→3​lim​​​(x−3)(x−2)​​(x−3)(x−4)​​=​x→3​lim​​​x−2​​x−4​​=​3−2​​3−4​​=−1

Slide 15 - Tekstslide

Perforatie bij een parameter


Voor welke waarden van a heeft de functie een perforatie?
f(x)=​x+a​​x​2​​+2x−3​​

Slide 16 - Tekstslide

Perforatie bij een parameter


Voor welke waarden van a heeft de functie een perforatie?
f(x)=​x+a​​(x−1)(x+3)​​
f(x)=​x+a​​x​2​​+2x−3​​

Slide 17 - Tekstslide

Perforatie bij een parameter


Voor welke waarden van a heeft de functie een perforatie?
f(x)=​x+a​​(x−1)(x+3)​​
f(x)=​x+a​​x​2​​+2x−3​​
a=−1∨a=3

Slide 18 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​

Slide 19 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​
​x→1​lim​​​x−1​​x​2​​+2x−3​​=

Slide 20 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​
​x→1​lim​​​x−1​​x​2​​+2x−3​​=​x→1​lim​​​x−1​​(x−1)(x+3)​​

Slide 21 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​
​x→1​lim​​​x−1​​x​2​​+2x−3​​=​x→1​lim​​​x−1​​(x−1)(x+3)​​=​x→1​lim​​(x+3)

Slide 22 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​
​x→1​lim​​​x−1​​x​2​​+2x−3​​=​x→1​lim​​​x−1​​(x−1)(x+3)​​=​x→1​lim​​(x+3)=1+3=4

Slide 23 - Tekstslide

voor a=−1 geldt:
f(x)=​x−1​​x​2​​+2x−3​​
​x→1​lim​​​x−1​​x​2​​+2x−3​​=​x→1​lim​​​x−1​​(x−1)(x+3)​​=​x→1​lim​​(x+3)=1+3=4
Voor a=-1 heeft de grafiek van f een perforatie bij (1,4)

Slide 24 - Tekstslide

voor a=3 geldt:
f(x)=​x+3​​x​2​​+2x−3​​
Maak hem nu zelf af

Slide 25 - Tekstslide

voor a=3 geldt:
f(x)=​x+3​​x​2​​+2x−3​​
​x→−3​lim​​​x+3​​x​2​​+2x−3​​=​x→−3​lim​​​x+3​​(x−1)(x+3)​​=​x→−3​lim​​(x−1)=−3−1=−4
Voor a=3 heeft de grafiek van f een perforatie bij (-3,-4)

Slide 26 - Tekstslide