Rouw en stervensproces

Rouw en stervensproces
Gehandicaptenzorg
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Rouw en stervensproces
Gehandicaptenzorg

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Numerieke schaal of pijn lineaal (NRS). Maar niet iedereen kan dit aangeven
Smile Analoge schaal (SAS). Is vaak gemakkelijker in te vullen

Slide 3 - Tekstslide

Wat is voor jou belangrijk
rondom dood en doodgaan?

Slide 4 - Woordweb

Wat zijn de meest voorkomende
ziektebeelden waar mensen aan komen te overlijden?

Slide 5 - Open vraag

Begeleiden bij rouw en verlies
Als begeleiders geen kennis hebben van wat rouw en verlies kunnen betekenen, zijn cliënten daar de dupe van.
Begeleiders moeten zich realiseren dat cliënten net als ieder ander het verlies voelen, en vaak te maken hebben met meerdere verliezen

Slide 6 - Tekstslide

Copingstrategieën
Vanuit nature is men gewend op een bepaalde manier met problemen om te gaan.
Vechten en vluchten
Bij beide zijn er mogelijkheden vanuit ratio en emotie.
Coping vind plaats op verschillende niveau’s: cognitie, emotie en gedrag

Slide 7 - Tekstslide

Verschillende copingstijlen
Je negeert het probleem of stelt het uit (vermijden/uitstellen)
Je doet niets, omdat alles zinloos is (machteloze passiviteit
Je pakt het probleem actief aan
Je zoekt sociale steun
Je uit je emoties
Je relativeert het probleem
Je zoekt afleiding

Slide 8 - Tekstslide

Copingstrategieën begeleiden
De invloed op het dagelijks leven beperken
Helpen bij uitvoering van het therapeutisch regime
Dagelijks leven vergemakkelijken
Spirituele zorg bieden
Naasten ondersteunen

Slide 9 - Tekstslide

Fase theorie van Elisabeth Kübler-Ross
Fase 1 : ontkenning, ongeloof
Fase 2 : boosheid
Fase 3 : vervanging
Fase 4 : acceptatie
Fase 5 : verwerking

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Besluitvorming in de palliatieve fase
Verhuizen of blijven:
  • belangrijk dichtbij de mensen die weten hoe ze communiceren en signalen als pijn snel kunnen opvangen.
  • Nagaan welke expertise al in huis is, of welke nodig is de juiste (medische) zorg te kunnen bieden.
  • Nagaan of de woning is toegerust voor het bieden van palliatieve zorg. aanwezigheid lift, hoog-laag bed enz. 
  • De aanwezigheid van medebewoners kan van belang zijn. Maar kan het team voldoende aandacht bieden aan de stervende en de andere cliënten?

Slide 12 - Tekstslide

Hulpmiddelen
  • PALLI
  • De PALLI is een vragenlijst die zorgverleners helpt om te bepalen of en in welke mate een cliënt met verstandelijke beperkingen achteruit is gegaan in gezondheid. Voor cliënten die achteruit zijn gegaan en met een beperkte levensverwachting kan palliatieve zorg* passend zijn: op comfort en kwaliteit van leven gerichte zorg en ondersteuning.   
  • Checklist palliatieve zorg

Slide 13 - Tekstslide

Op een aantal punten verschilt palliatieve zorg voor mensen met een beperking met de zorg voor de algemene bevolking.  
  • Zo hebben mensen met een verstandelijke beperking vaak een stapeling van aandoeningen.
  • Kunnen zij regelmatig niet zodanig communiceren dat ze gemakkelijk door anderen begrepen worden.
  • Ook hebben zij, zeker oudere mensen met een verstandelijke beperking,
  • Vaak een minder goed ontwikkeld informeel netwerk.
  • Er sterke vermoedens dat mensen met een verstandelijke beperking vaak afwijkend reageren op bepaalde medicatie.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Welke verschijnselen zijn waar te nemen op iemand zijn sterfbed?

Slide 20 - Woordweb

Slide 21 - Tekstslide