Pincode 3TL: H1.4 Indexcijfers




Vandaag: paragraaf 4




1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les




Vandaag: paragraaf 4




Slide 1 - Tekstslide

Hoofdstuk 1 §4 Wordt alles duurder? 

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen -- Deze paragraaf leer je: 

- hoe je verandering in procenten berekenen
- wat inflatie is
- wat deflatie is
- wat de gevolgen van inflatie zijn voor je koopkracht
- hoe inflatie met indexcijfers berekend wordt
- hoe je berekeningen maakt met behulp van indexcijfers

Slide 3 - Tekstslide

Uitrekenen procentuele toename of afname:
(nieuw-oud): oud x 100      

     Nieuw indexcijfer berekenen: 
gevraagd jaar : basisjaar x 100


Slide 4 - Tekstslide

De procentuele verandering schrijven we op in een indexcijfer. 

We gaan uit van een basisjaar
Het basisjaar heeft het indexcijfer 100
We ronden indexcijfers altijd af op hele getallen

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld: 
2019 is het basisjaar = 100
2020 heeft een indexcijfer van 104
Dan is het bedrag 4% hoger dan het basisjaar

2021 heeft een indexcijfer van 96
Dan is het bedrag 4% lager dan het basisjaar 


Slide 6 - Tekstslide

De keuze van het basisjaar: 
* Het moet niet te ver in het verleden liggen
* Het moet een vrij normaal jaar zijn, dat niet te veel afwijkt van de jaren ervoor en erna

Slide 7 - Tekstslide

Van indexcijfer naar getal
Het basisjaar is altijd indexcijfer 100
Stel het bedrag van het basisjaar is € 500
Het indexcijfer van het volgende jaar is 104
Welk bedrag heeft het volgende jaar?

Slide 8 - Open vraag

Berekening:
 
€ 500 : 100 x 104 = € 520

Slide 9 - Tekstslide

De prijs van een specifieke smartphone is gestegen van € 450,- naar € 495,-

Wat is het indexcijfer?

Slide 10 - Open vraag

Berekening:

Nieuw : oud x 100
 
€ 495 : € 450 x 100 = 110

Slide 11 - Tekstslide

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek --> verzamelt informatie over onder andere economische onderwerpen (zoals prijsstijgingen, of prijsdalingen, koopkracht)

Inflatie: je geld wordt minder waard (je kan met hetzelfde bedrag minder kopen)

Deflatie: het omgekeerde. Er is een algemene prijsdaling. 

Slide 12 - Tekstslide

Koopkracht
Verandering van prijzen heeft gevolgen voor de koopkracht.

Koopkracht geeft aan hoeveel goederen en/of diensten je kan kopen met jouw inkomen. 


Slide 13 - Tekstslide

Jouw salaris stijgt met 2% en de inflatie is 3%.
Welk gevolg heeft dit voor jouw koopkracht?
A
Stijgt
B
Daalt
C
Blijft gelijk

Slide 14 - Quizvraag

Jouw salaris stijgt met 2% en de inflatie is 2%.
Welk gevolg heeft dit voor jouw koopkracht?

A
Stijgt
B
Daalt
C
Blijft gelijk

Slide 15 - Quizvraag

Jouw salaris stijgt met 2% en de inflatie is 1%.
Welk gevolg heeft dit voor jouw koopkracht?
A
Stijgt
B
Daalt
C
Blijft gelijk

Slide 16 - Quizvraag

Paragraaf 4 opgaven maken
timer
10:00

Slide 17 - Tekstslide