cross

OZL: Geluid herhaling

t staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur
1 / 55
volgende
Slide 1: Quizvraag
Sciencevmbo t, mavo, havo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 55 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

t staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 1 - Quizvraag

v staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 2 - Quizvraag

s=v*t betekend?
A
snelheid= afstand*tijd
B
snelheid = afstand*temperatuur
C
afstand=snelheid*tijd
D
tijd=afstand*snelheid

Slide 3 - Quizvraag

f=.....
A
1/t
B
1/T
C
t/1
D
T/1

Slide 4 - Quizvraag

Wat is geen grootheid?
A
frequentie
B
snelheid
C
tijd
D
meter

Slide 5 - Quizvraag

Welke formule gebruik ik als ik de tijd wil berekenen?
A
t=s*v
B
t=v/s
C
t=s/v
D
t=1/v

Slide 6 - Quizvraag

Welke formule gebruik ik als ik de snelheid wil berekenen?
A
v=t*s
B
v=t/s
C
v=1/t
D
v=s/t

Slide 7 - Quizvraag

Welke formule gebruik ik als ik de frequentie wil berekenen?
A
f=1/t
B
f=T/1
C
f=t/1
D
f=1/T

Slide 8 - Quizvraag

Welke formule gebruik ik als ik de trillingstijd wil berekenen?
A
t=1/f
B
T=f/1
C
t=f/1
D
T=1/f

Slide 9 - Quizvraag

Welke formule gebruik ik als ik de afstand wil berekenen?
A
s=v*t
B
s=v/t
C
s=t/v
D
s=v/2

Slide 10 - Quizvraag

Wat is de grootheid die bij de eenheid decibel hoort?
A
Frequentie
B
Hertz
C
Geluidssterkte
D
geluidsbron

Slide 11 - Quizvraag

Welke eenheid hoort bij de grootheid
Frequentie
A
Decibel
B
Hertz
C
Geluidssterkte
D
km/h

Slide 12 - Quizvraag

s staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 13 - Quizvraag

t staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 14 - Quizvraag

v staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 15 - Quizvraag

s staat voor
A
afstand
B
snelheid
C
tijd
D
temperatuur

Slide 16 - Quizvraag

Karel slaat een snaar aan, wat kan hij niet doen om een andere toon te krijgen
A
De snaar strakker aanspanne
B
Een dunnere snaar aanslaan
C
Een langere snaar aanslaan
D
De snaar harder aanslaan

Slide 17 - Quizvraag

Gitaar
  • Als ik de snaar korter maak dan wordt de toon hoger
  • Als ik de snaar dunner maak dan wordt de toon hoger
  • Als ik de snaar strakker aanspan dan wordt de toon hoger

Slide 18 - Tekstslide

Wat is de grootheid die bij de eenheid decibel hoort?
A
Frequentie
B
Hertz
C
Geluidssterkte
D
geluidsbron

Slide 19 - Quizvraag

Welke eenheid hoort bij de grootheid
Frequentie
A
Decibel
B
Hertz
C
Geluidssterkte
D
km/h

Slide 20 - Quizvraag

Karel slaat een snaar aan, wat kan hij niet doen om een andere toon te krijgen
A
De snaar strakker aanspannen
B
Een dunnere snaar aanslaan
C
Een langere snaar aanslaan
D
De snaar harder aanslaan

Slide 21 - Quizvraag

Kan je praten en ademen tegelijk?
A
Ja
B
Nee

Slide 22 - Quizvraag

ademhalen en praten gaan 
niet tegelijk

Slide 23 - Tekstslide

In de bergen hoor je een echo van jezelf.
Het geluid doet er 4 seconde over om te horen.
Hoe groot is de afstand tussen jou en de berg die het geluid terug kaatst?
A
ongeveer 700 meter
B
ongeveer 1400 meter
C
ongeveer 350 meter
D
ongeveer 1000 meter

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

Henk schreeuwt in een put, na 0,44 seconden hoor hij de echo. v=340 m/s
hoe diep is de put?
A
149,6 m
B
74,8 m
C
299,2 m
D
149,6 km

Slide 26 - Quizvraag

Je ziet een heimachine die een heipaal in de grond slaan. Je ziet het blok op de heipaal vallen en na 2 seconde hoor je de dreun. Bereken de afstand?
A
ongeveer 700 meter
B
ongeveer 500 meter
C
ongeveer 200 meter
D
Dit is niet uit te rekenen

Slide 27 - Quizvraag

Slide 28 - Tekstslide

In 1942 werd de geluidssnelheid gemeten. De afstand tot de geluidsbron was 2,3 km en na 6.9 seconden hoorde ze het geluid pas.
Wat was de geluidssnelheid?
A
333,33 m/s
B
15870 m/s
C
1587 m/s
D
666,6 m/s

Slide 29 - Quizvraag

Als een ruimteschip explodeert kan je dat
A
niet horen
B
wel horen

Slide 30 - Quizvraag

Medium/Tussenstof

Slide 31 - Tekstslide

De frequentie van een stemvork is
20 Hz
Wat is de trillingstijd?
A
0.05 s
B
60 s
C
20 s
D
0,20 s

Slide 32 - Quizvraag

De frequentie van een stemvork is
400 Hz.
Wat is de trillingstijd van een trilling?
A
0,025 s
B
200 s
C
0,0025 s
D
800 s

Slide 33 - Quizvraag

De frequentie van een stemvork is
40 Hz.
Wat is de trillingstijd van een trilling?
A
0,025 s
B
200 s
C
0,0025 s
D
800 s

Slide 34 - Quizvraag

Een pizza delen over 4 personen
6 pizza's delen over 2 personen

Slide 35 - Tekstslide

Een pizza delen over 4 personen
1 pizza
_____________
4 personen


0,25 pizza per persoon. 

Slide 36 - Tekstslide

6 pizza's delen over 2 personen
6 pizza's
__________
2 personen

3 pizza's per persoon

Slide 37 - Tekstslide

1 trilling in 1 seconden= 1 hertz

Slide 38 - Tekstslide

19 seconden delen over 3 trillingen 
19 seconden 
___________________
3 trillingen

6,33 seconden per trilling
trillingstijd is 6,33 sec

Slide 39 - Tekstslide

9 trillingen in 3 seconden
3 seconden 
________________
9 trillingen

0,33 seconden per trilling
trillingstijd is 0,33 seconden

Slide 40 - Tekstslide

3 trillingen in 1 seconden
1 seconden 
________________
3 trillingen

0,33 seconden per trilling
trillingstijd is 0,33 seconden

Slide 41 - Tekstslide

Frequentie
                                                  1
     frequentie = ____________________
                                       trillingstijd

                         1
     f= __________________
                         T

Slide 42 - Tekstslide

Als de geluidssterkte groter wordt, wat gebeurt er dan op de oscillogram?
A
de bergen en dalen worden kleiner
B
de trillingen gaan verder van elkaar af zitten.
C
de trillingen gaan korter op elkaar zitten.
D
de bergen en dalen worden groter

Slide 43 - Quizvraag

harder geluid = hogere amplitude

Slide 44 - Tekstslide

De frequentie van een stemvork is
20 Hz
Wat is de trillingstijd?
A
0.05 s
B
60 s
C
20 s
D
0,20 s

Slide 45 - Quizvraag

De trillingstijd van een trilling is
2 s.
Wat is de frequentie?
A
0,5 Hz
B
2 Hz
C
4 Hz
D
0,25 Hz

Slide 46 - Quizvraag

De frequentie van een stemvork is
4000 Hz.
Wat is de trillingstijd van een trilling?
A
2000 s
B
0,00025 s
C
80 s
D
0,0025 s

Slide 47 - Quizvraag

In de bergen hoor je een echo van jezelf.
Het geluid doet er 4 seconde over om te horen.
Hoe groot is de afstand tussen jou en de berg die het geluid terug kaatst?
A
ongeveer 700 meter
B
ongeveer 1400 meter
C
ongeveer 350 meter
D
ongeveer 1000 meter

Slide 48 - Quizvraag

Wat is de geluidsnelheid?
A
de snelheid waarmee je het beu bent om naar bepaalde muziek te luisteren
B
de snelheid van geluid door lucht
C
de snelheid van geluid door een tussenstof
D
een auto die net zo snel rijdt als zijn geluid

Slide 49 - Quizvraag

Als een ruimteschip explodeert kan je dat
A
niet horen
B
wel horen

Slide 50 - Quizvraag

Henk schreeuwt in een put, na 0,22 seconden hoor hij de echo. v=340 m/s
hoe diep is de put?
A
74,8 m
B
37,4 m
C
149,6 m
D
74,8 km

Slide 51 - Quizvraag

De trillingstijd van een trilling is
2 s.
Wat is de frequentie?
A
0,5 Hz
B
2 Hz
C
4 Hz
D
0,25 Hz

Slide 52 - Quizvraag

0,5 ms/div wordt bedoelt dat een hokje gelijk staat aan 0,5 ms

Slide 53 - Tekstslide

't dondert en 't bliksemt
Tijdens een feest sta je uit het raam te kijken,  opeens zie je dat bliksem inslaat in de helpoort.
Je weet dat de helpoort 2,5 km van jou vandaan is. 
Helaas kan je door de harde muziek de donder niet horen.
Na hoeveel seconden zou je donder gehoord hebben als er geen muziek was?

Slide 54 - Tekstslide

In de 17de eeuw probeerde een wetenschapper de geluidssnelheid te bepalen. 
Hij deed dit door een pistool op een stille dag af te vuren en te kijken naar het verschil in tijd wanneer hij de flits zag en wanneer hij de knal hoorde.
Het tijdsverschil tussen de flits en de knal was 1,2 seconden. 
Hij stond op 570 meter van het pistool af. 
Welke geluidssnelheid mat hij?

Slide 55 - Tekstslide