Lees mee les 2 - de verkeerde bus

Lees mee les 2

De verkeerde bus

1 / 77
volgende
Slide 1: Slide
newEditorAlfabetisering NT2ISK

In deze les zitten 77 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Lees mee les 2

De verkeerde bus

Opdracht 1

Woorden voor openbaar vervoer


Openbaar vervoer = de naam voor vervoersmiddelen zoals de trein en de bus. Openbaar vervoer is bedoeld voor alle mensen, niet voor één of een paar personen.

3, 2 ,1 start

Maak opdracht 1 A & B

5

m

00

s

1a. Woorden voor openbaar vervoer

A

auto

B

fiets

C

metro

D

scooter

1b. Woorden voor openbaar vervoer

A

fiets

B

metro

C

scooter

D

tram

B. Vervoermiddelen die NIET bij het openbaar vervoer horen.

C1 Ga jij met een vervoermiddel naar school?

A

Ja

B

Nee

C

Ik weet het niet

D

Fatbike

C1 Met welk vervoermiddel ga jij naar school?

C2 Reis jij weleens met de bus?

A

Ja

B

Nee

C

Af en toe

D

Ja, ik heb een abonnement

C3 Wanneer heb jij voor het laatst met de trein gereisd? Waar ging jij naartoe?

Opdracht 2

De structuur van een tekst


Bekijk tekst 2A: 'De verkeerde bus'. Lees de tekst nog niet.



1. Hoeveel regels heeft de inleiding?

A

3

B

12

C

21

D


2. Hoeveel kopjes heeft de tekst?

A

1

B

2

C

3

D


3. Wat staat er boven de tweede alinea?

A

De verkeerde bus

B

Steeds verder van huis

C

Geen geld

D


Opdracht 3

Nadenken over het onderwerp van de tekst


Bekijk de tekst. Lees de titel en bekijk de afbeelding. Lees de tekst nog niet.

1. Wat zie je op de afbeelding onder de tekst?

2. Wat betekent het woord VERKEERD in de titel?

A

fout

B

rood

C

veilig

D


Aan het werk!

Maak opdracht 2 t/m 6

B Omschrijvingen

Zoek de woorden van kolom 1 op in de tekst.

Probeer de betekenis te begrijpen in de context.

Combineer elk woord met een omschrijving in kolom 2.

Quizlet

www.quizlet.com/709238638/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/

zonder plaatjes:
https://quizlet.com/nl/947815304/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/?i=2xb1kx&x=1qqt

Les 2

De verkeerde bus

Even herhalen...


verkeerd

meestal

juist

rit

fout

vaak

correct

reisje

Pakken

Straat

Eindelijk

Omkomen

Doodgaan

Weg

Ten slotte

Nemen

C Werkwoorden

In de tekst staan veel werkwoordsvormen in de verleden tijd. Van welke werkwoorden komen ze?

duurde

kwam

woonde

stapte op

sprak

hoopte

wonen

opstappen

spreken

duren

hopen

komen

zou

reed

had

ging

liep

vroeg

vragen

gaan

lopen

rijden

hebben

zullen

werd

dacht

zei

waren

begon

was

denken

zeggen

beginnen

worden

zijn (meervoud)

zijn (enkelvoud)

Opdracht 7 & 8

Andere tekstsoorten





Wat denk je?



Aankondiging = een tekst over wat er gaat gebeuren

Opdracht 8

Reisschema



In tekst 2C zie je de vertrektijden en aankomsttijden van de trein van Hilversum naar Antwerpen. Bekijk het reisschema en beantwoord de vragen.



Wat denk je?



Reisschema = een overzicht van reistijden

Aan het werk

Afmaken: Opdr. 1 t/m 6.

Verder werken: Opdr. 7 t/m 9.

Na de tijd: Quizlet van de woorden

20

m

00

s

Al klaar? Oefen de woorden van les 1 en 2.

Na les 3 toets!

Quizlet

www.quizlet.com/709238638/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/

zonder plaatjes:
https://quizlet.com/nl/947815304/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/?i=2xb1kx&x=1qqt

Opdracht 9


Puzzelen met husselwoorden



Puzzel!



Puzzel!

1. Lees de inleiding. Na hoe lang kwam de vrouw thuis van de rit met de bus?

A

1 jaar

B

10 jaar

C

25 jaar

D

76 jaar

2a. In welke grote stad stapte de vrouw over op een andere bus?

2b. In welke stad in het noorden stapte de vrouw uit de tweede bus?

3. Waarom ging de vrouw bedelen (r. 15-16)?

4. Hoe oud was de vrouw toen ze thuiskwam?

A

70 jaar

B

71 jaar

C

75 jaar

D

76 jaar

Opdracht 5

Oefenen met woorden

A Synoniemen


C2. Welke werkwoorden kende je nog niet?

D Schrijf 3 moeilijke woorden uit de tekst.

Opdracht 6

De tekst beter begrijpen


Lees de tekst nog eens!

5

m

00

s

1. In de inleiding lees je meestal het onderwerp van de tekst. Wat is het onderwerp van deze tekst?

A

Bussen in Thailand

B

De lange afstanden die bussen in Thailand rijden

C

Een vrouw die 25 jaar wegbleef, nadat ze in de verkeerde bus was gestapt

D


2. Lees de tweede alinea. In welke richting reisde de vrouw zonder het te willen?

A

Van het noorden naar het zuiden

B

Van het oosten naar het westen

C

Van het westen naar het oosten

D

Van het zuiden naar het noorden

3. Lees de derde alinea. Waarom bleef de vrouw zo lang in Chiang Mai?

A

Haar geld was op en ze verstond de taal niet

B

Ze kreeg een verkeersongeluk

C

Ze wilde graag in het tehuis voor daklozen blijven wonen

D

Ze wist niet waar het busstation was

4. Waarom zei de vrouw niets (r. 18)?

A

omdat ze geen Thais verstond

B

omdat ze dakloos was

C

omdat ze doofstom was

D


5. Waarom begon de vrouw pas te praten toen de studenten in Chiang Mai waren (r. 18-19)?

A

De studenten spraken dezelfde taal als de vrouw.

B

De vrouw had tot dat moment geen zin om te praten.

C

De vrouw wilde alleen maar met studenten praten.

D

De vrouw wilde niet met Thaise mensen praten.

1. In welk vervoermiddel gebruik je de tienertoerkaart?

2. Voor wie is de tienertoerkaart bedoeld?

3. Hoeveel kost de kaart?

4. In welke periode is de kaart geldig?

A

lente

B

zomer

C

herfst

D

winter

5. Moet je reizen op dagen die elkaar volgen?

A

ja

B

nee

C


D


6. Is de tienertoerkaart ook geldig in de winter?

A

ja

B

nee

C


D


7. Zou jij zelf een tienertoer willen maken door Nederland?

A

Ja

B

Nee

C

Misschien

D

Geen zin in!

1. Hoe laat vertrekt de trein vanuit Hilversum?

A

10.46 uur

B

10.50 uur

C

11 uur

D

10.48 uur

2. Van welk spoor vertrekt de trein uit Hilversum?

A

spoor 1

B

spoor 2

C

spoor 3

D

spoor 4

3. In Utrecht moet je overstappen. Hoeveel tijd heb je om over te stappen?

A

10 minuten

B

11 minuten

C

12 minuten

D

13 minuten

4. Vanaf welk perron vertrekt jouw trein in Utrecht?

A

spoor 7

B

spoor 8

C

spoor 9

D

spoor 10

5. Hoe lang duurt de treinreis van Rotterdam naar Antwerpen?

A

1 uur

B

1 uur en 5 minuten

C

1 uur en 10 minuten

D

10 minuten

6. Hoe laat arriveer je in Antwerpen?

A

om 13 uur

B

om 14 uur

C

om 13.30 uur

D

om 13.15 uur



Wat vind jij van de les?

Opdracht 10

Nakijken, leren en de woordenschat maken.

Opdracht 10

Vraag de antwoordbladen bij les 2 aan je docent.

Kijk les 2 na en markeer de foute antwoorden met een markeerstift.

Bekijk de vragen met foute antwoorden nog eens goed. Begrijp je nu de vraag en het antwoord beter? Zo niet, vraag dan je docent om uitleg.

Leer de woorden uit deze les 

Extra:

  • Herhaling woorden les 2: https://www.lessonup.com/nl/lesson/pBZAYqArCvjrSnW5t/rFqKTv3DStohq2cWi

  • www.quizlet.com/709238638/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/

  • https://quizlet.com/nl/947815304/lees-mee-les-2-met-de-bus-flash-cards/?i=2xb1kx&x=1qqt

  • https://dashboard.blooket.com/set/65e815d30a0affd210e15718

  • Mix en Match LEES MEE les 2 (zie Sharepoint)

  • Je kan woordkaartjes maken via quizlet als je zoekt naar extra opties. Handig voor memory etc. 



Leren voor de toets

- vervoermiddelen

- synoniemen (verkeerd-fout)

- omschrijvingen

- lees de tekst