voegwoorden oefenen

Voegwoorden
maar, omdat, want, dus, als, maar
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Voegwoorden
maar, omdat, want, dus, als, maar

Slide 1 - Tekstslide

Voegwoorden
Voegwoorden maken van 2 zinnen één zin.
Ik ga eten, want ik heb honger   (reden)
Ik ga slapen, want ik ben moe

Let op: 
Ik ga eten, omdat ik honger heb
Ik ga slapen, omdat ik moe ben






Slide 2 - Tekstslide

Voegwoorden
Maar    (Tegenstelling of probleem)
Ik wil eten kopen, maar  ik heb geen geld
Ik ben moe, maar ik kan niet slapen

 Als   (Tijd of moment)
Ik ga slapen, als  ik moe ben
Ik ga eten kopen, als ik geld heb

Slide 3 - Tekstslide

Voegwoorden
Dus (Gevolg/ daarom)

Ik heb honger, dus ik ga nu eten.
Ik ben moe, dus ik ga slapen
Ik ben ziek, dus........

Slide 4 - Tekstslide

Mijn moeder kookt rijst met kip, want dat vinden we lekker.
A
Met
B
Want
C
Moeder
D
dat vinden we lekker

Slide 5 - Quizvraag

Ik wil gaan eten, maar ik heb geen honger.
A
Maar
B
Ik wil gaan eten
C
honger
D
gaan eten

Slide 6 - Quizvraag

Welke zin is juist?
A
Ik pak mijn sportkleding, daarom ga ik sporten.
B
Ik ga sporten als ik mijn sportkleding pak.
C
Ik ga sporten, dus ik pak mijn sportkleding.
D
Ik ga sporten, omdat ik pak mijn sportkleding.

Slide 7 - Quizvraag

Maak de zin:
ik sliep slecht
de buren hadden een feestje

Slide 8 - Open vraag

Maak de zin:
Mijn schoenen zijn kapot, dus ....

Slide 9 - Open vraag

Maak de zin:
Ik wil gaan wandelen
het regent

Slide 10 - Open vraag

'Ik ben ziek, maar ik voel me goed.'

Wat is het voegwoord?
A
ik
B
maar
C
ben
D
niet

Slide 11 - Quizvraag

Ik ben ziek, ........ ik ga niet werken.
A
want
B
dus
C
en
D
maar

Slide 12 - Quizvraag

Voegwoorden zijn niet gemakkelijk, __________ ik het een beetje begin te snappen.
A
zodat
B
omdat
C
hoewel
D
zodra

Slide 13 - Quizvraag

Aan de slag
Wat: C5 §5 voegwoorden
Waar: digitaal Nieuw Nederlands
Wanneer: deze les, rest is huiswerk
Hoe: voor jezelf in stilte
Vraag? steek je hand op
En dan? Sudoku / 24-game

Slide 14 - Tekstslide