Chapitre 3, grammaire D (oefening)

gt/havo-1 chapitre 3, grammaire D
Buts:
We gaan het grammatica-onderdeel werkwoord être oefenen.

Succes!
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo k, tLeerjaar 1

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

gt/havo-1 chapitre 3, grammaire D
Buts:
We gaan het grammatica-onderdeel werkwoord être oefenen.

Succes!

Slide 1 - Tekstslide

Répéter:
chapitre 2, grammaire D
Een aantal vragen:

- Over welk grammatica-onderdeel hebben we het de vorige keer gehad?


- Is er al iemand die het rijtje kan opzeggen?

- Welke vorm heeft meerdere betekenissen?



Slide 2 - Tekstslide

Répéter:
chapitre 2, grammaire D
Het regelmatie werkwoord op -er:



donner                       geven
je donne                     ik geef
tu donnes                   jij geeft
il/elle donne                hij/zij geeft
on donne                    wij geven

nous donnons              wij geven
vous donnez                jullie geven/u geeft
ils/elles donnent          zij geven

Slide 3 - Tekstslide

Répéter:
grammaire D
Dit hoofdstuk leren we het werkwoord 'être' (zijn).


Net zoals het werkwoord 'avoir' (uit chapitre 1), is 'être' (zijn) een onregelmatig werkwoord.

Het volgende rijtje moet je dus goed kennen!

Slide 4 - Tekstslide

Grammaire D:
het werkwoord 'être'
Het rijtje hieronder moet je kennen, het is een kwestie van stampen!

je suis                  --> ik ben
tu es                    --> jij bent
il/elle/on est          --> hij/zij/men is

nous sommes         --> wij zijn
vous êtes              --> u bent/jullie zijn
ils/elles sont          --> zij zijn (meervoud)

Slide 5 - Tekstslide

Grammaire D:
een praktische tip
Wanneer je in de zin niet een persoonlijk voornaamwoord ziet staan, is het soms lastig om te weten welke uitgang je moet invullen..

Daarom: een tip!

Bij 1 naam: de il/elle/on-vorm
Bij le/la/l': de il/elle/on-vorm

Bij 2 namen: de ils/elles-vorm
Bij les/des: de ils/elles-vorm

Slide 6 - Tekstslide


Vul de juiste vorm in van het werkwoord être

Vous ________________ en vacances?

Slide 7 - Open vraag



Vul de juiste vorm in van het werkwoord être.

Oui, nous ________________ au camping.

Slide 8 - Open vraag


Vul de juiste vorm in van het werkwoord être

Je ________________ à la réception.

Slide 9 - Open vraag



Vul de juiste vorm in van het werkwoord être

Les toilettes ________________ où?

Slide 10 - Open vraag

Grammaire D:
aan de slag
Maak opdracht 16 d, e
Maak opdracht 17 a, b, (c)
Maak opdarcht 18
Maak opdracht 19

Slide 11 - Tekstslide

Grammaire D:
Nakijken
16d
1. es
2. suis
3. sont
4. est
5. sont
6. êtes
16e
1. sommes
2. est
3. suis
4. sont
5. êtes

Slide 12 - Tekstslide

Grammaire D:
Nakijken
17a
1. je suis
2. nous sommes
3. tu es
4. vous êtes
5. il est
6. ils sont
7. elle est
8. elles sont
17b
1. Je suis
2. Raoul est
3. Désirée et Irène sont
4. C'est
5. les profs sont

Slide 13 - Tekstslide

Grammaire D:
Nakijken
17c
1. Non, je suis à Nice. 
2. suis en cinquième.
3. est la prof de dessin.
4. sont à la cantine.
5. sommes libre dimanche.
18
Klassikaal bespreken.

19 
Klassikaal bespreken

Slide 14 - Tekstslide

Huiswerk:
Apprends D à la page 131.

Slide 15 - Tekstslide