12.6

12.6
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

12.6

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
12.6.1 Je kunt de delen van tanden en kiezen noemen met hun kenmerken.
12.6.2 Je kunt bij zoogdieren het verband aangeven tussen de voedselkeuze, de lengte van het darmkanaal en de kenmerken en functies van de tanden en kiezen.
12.6.3 Je kunt omschrijven wat tandplak is en wat tanderosie is.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Planteneters               Vleeseters                          Alleseters       

Slide 4 - Tekstslide

Planteneters, alleseters, vleeseters

Slide 5 - Tekstslide

Alleseter, vleeseter, planteneter
Type kiezen
Bijzonder
heden
Lengte
darm
kanaal
Planten
eter
Plooi
kiezen
geen hoektanden
Lang
Vlees
eter
Knip
kiezen
scherpe hoektanden
Kort
Alles
eter
Knobbel
kiezen
Hoektanden niet opvallend
Middel lang

Slide 6 - Tekstslide

Planteneters (herbivoren) eten alleen plantaardig voedsel. Ze hebben een lang darmkanaal om plantaardig voedsel te kunnen verteren. Een paard heeft bijvoorbeeld een darmkanaal van wel veertig meter lang. De buik van planteneters is daardoor dik in verhouding tot de lengte van het dier.
Planteneters hebben plooikiezen. Dat zijn kiezen met harde richels van glazuur (zie afbeelding 2). Tijdens het kauwen wordt het voedsel tussen de harde richels fijngemalen (zie afbeelding 3). Planteneters hebben meestal geen hoektanden.

Slide 7 - Tekstslide

Vleeseters (carnivoren) eten alleen dierlijk voedsel. Ze hebben een vrij kort darmkanaal, omdat vlees gemakkelijk te verteren is. De buikholte is daardoor klein.
Vleeseters hebben knipkiezen. Dat zijn scherpe kiezen waarmee ze vlees in stukken knippen, zodat het snel kan worden doorgeslikt (zie afbeelding 4.1). De bovenkaak is breder dan de onderkaak, waardoor de kiezen langs elkaar glijden zoals bij een schaar.
De hoektanden zijn meestal groot, spits en scherp (zie afbeelding 4.2). Ze worden gebruikt om de prooi te doden en stukken vlees los te scheuren. Ze kunnen ook worden gebruikt ter verdediging.

Slide 8 - Tekstslide

Alleseters (omnivoren) eten zowel dierlijk als plantaardig voedsel. Ze hebben een middellang darmkanaal, om vlees en planten te kunnen verteren. Alleseters hebben knobbelkiezen. Dat zijn kiezen met een knobbelig oppervlak, zodat het voedsel kan worden fijngemalen. Wij mensen snijden ons voedsel klein met een mes en bewerken ons voedsel (bijvoorbeeld door het te koken). Daardoor kunnen wij een groter deel van ons plantaardig voedsel verteren. Alleseters hebben meestal hoektanden. Bij sommige alleseters zijn die groot, spits en scherp. Ze worden gebruikt om een prooi te doden. Bij andere alleseters zijn de hoektanden vrijwel even groot als de snijtanden. Bij de mens zijn de hoektanden iets puntiger dan de snijtanden (zie afbeelding 6). Met je tanden bijt je stukken van je voedsel af. 

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Video

Slide 11 - Video

Hoe ontstaat tandbederf?
Tandbederf: je krijgt gaatjes doodat bacteriën suikers omzetten in zuur.
Dit zuur lost het glazuur en tandbeen op.

Met fluoride in tandpaste kun je tandbederf
voorkomen. Een fluor behandeling is ook goed.

Slide 12 - Tekstslide

Huiswerk 
Thema 12 basisstof 6 opdracht: 1, 2, 3, 6 en 7

Slide 13 - Tekstslide