3. De trein
3. De trein
Bekijk samen de praatplaat op de volgende dia.
Wat zie je?
De docent schrijft de woorden bij de plaat (op het bord).
Stel vragen: Ga jij wel eens met de bus? Of met de trein?...
Wat zie je op de volgende dia's?
(Tip: je kunt de leerlingen de woorden op laten schrijven.)
trein
station
klok
spoor
kaartje
ov-kaart
bord
trein
station
klok
spoor
kaartje
ov-kaart
bord
Wat zie je?
trein
spoor
klok
kaartje
Wat zie je?
spoor
ov-kaart
klok
trein
Wat zie je?
bord
trein
kaartje
klok
Wat zie je?
klok
trein
station
bord
Wat zie je?
trein
ov-kaart
kaartje
bord
Wat zie je?
station
spoor
kaartje
bord
Wat zie je? (laatste)
kaartje
spoor
bord
ov-kaart
1. - Bekijk samen de tekst.
- Vraag of de leerlingen weten wat het is.
- Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te lezen.
2. - Beantwoord samen de vraag.
3. - Beantwoord samen de vraag.
4. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: kruis aan/omcirkel/onderstreep.
Kijk ook goed of de leerlingen dit op de juiste manier doen.
5. - Beantwoord samen de vraag.
6. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: schrijf/kruis aan.
7. - Lees de tekst voor.
- Bespreek de tekst.
- Laat een paar leerlingen lezen.
8. - Beantwoord samen de vraag.
9. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.
10. - Bekijk samen de tekst.
- Vraag of de leerlingen weten wat het is.
- Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te lezen.
11. - Beantwoord samen de vraag.
12. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.
13. - Bekijk samen de tekst.
- Vraag of de leerlingen weten wat het is.
- Leg uit dat je deze tekst niet helemaal hoeft te lezen.
14. - Beantwoord samen de vraag.
15. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: omcirkel/onderstreep.
16. - Lees de tekst voor.
- Bespreek de tekst.
- Laat een paar leerlingen de tekst lezen.
17. - Beantwoord samen de vraag.
Besteed extra aandacht aan de instructiewoorden: lees en schrijf.
trein
kaartje
spoor
bord
klok
Hakken - plakken
Welke woorden hoor je?
bus
kaart
bord
trein
raam
fluit
spoor
klok
tijd
Luister goed en zeg na:
(laatste)
Ik ga op reis.
Ik ga met de trein.
Ik koop een kaart.
Ik wacht op de trein.
Ik zoek een stoel.
Ik kijk uit het raam.
Ik lees in een boek.
Het is fijn in de trein.