VAKDIDACTIEK Hoofdstuk 5 Toetsing

Hoofdstuk 5 Toetsing
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
OnderwijswetenschappenWOStudiejaar 2,3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 5 Toetsing

Slide 1 - Tekstslide

Doelen
  • Je weet hoe je de validiteit en betrouwbaarheid van je toetsen kunt vergroten.
  • Je kunt aangeven welke functies toetsing heeft en hoe je deze correct inzet.
  • Je kunt de problemen van toetsing benoemen.
  • Je kunt een toets vakdidactiek toetsen op validiteit en betrouwbaarheid en ontdekt tegelijkertijd in welke mate je de stof voor het tentamen al beheerst.
  • Je kunt effectief feedback geven op een tentamencasus

Slide 2 - Tekstslide

Wat en hoe wordt er getoetst bij jou op school?
Vooral mondeling of schriftelijk? Vooral deelvaardigheden of taalvaardigheden? Vooral summatief of formatief?

Slide 3 - Open vraag

Functie van toetsing
  • meten versus beoordelen
  • formatief versus summatief toetsen

Functie van toetsing:
  • terugkoppeling/feedback (voor leerling en docent)
  • extrinsieke motivatie (disciplinering)

Slide 4 - Tekstslide

Criteria Toetsing
Valide toetsen
Meet de toets wat hij dient te meten?
Is de leerstof evenredig verdeeld over de toets vragen?
Komt de wijze van toetsing overeen met dat wat de leerlingen geoefend hebben?


Voorbeeld:
Literatuur en gespreksvaardigheid in één mondeling toetsen
Gespreksvaardigheid schriftelijk toetsen
Het Cito-eindexamen, dat geen leesvaardigheid toetst, maar Cito-vaardigheid (?!)

Slide 5 - Tekstslide

Validiteit
Begripsvaliditeit:
wordt datgene getoetst, wat men verstaat onder het begrip? (bijv. taalvaardigheid, luistervaardigheid, uitspraak…)
Inhoudsvaliditeit:
(bij vorderingentoetsen): is de toets een goede steekproef van wat er onderwezen is? Let o.a. op: moeilijkheidsgraad, gebruiksnut, bestede tijd en aandacht…
Schijnvaliditeit:
komt de toets overeen met het idee dat de lln. zich gevormd heeft van de te toetsen vaardigheid? (o.a. om deze reden: sluit de toets aan bij de manier waarop de lln. geoefend hebben?)

Slide 6 - Tekstslide

Kijkvraag
Bekijk het volgende clipje. 
Hoe valide is de toets?


Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Hoe valide is de toets? Leg uit.

Slide 9 - Open vraag

Betrouwbare toetsen
  • Leerlingen die de stof beheersen moeten de toets beter maken dan leerlingen die de stof niet beheersen.
    (“Al mijn leerlingen hadden een 9 of een 10 voor deze toets!”)
  • Een goede toets discrimineert!
  • Elk verschil in score op de toets moet overeenkomen met werkelijke verschillen in kennis of vaardigheid bij de lln.

Slide 10 - Tekstslide

Betrouwbaarheid
Betrouwbare toetsen

  • Zelfde toets bijv. een week later afnemen, zou eenzelfde resultaat moeten opleveren. (of vergelijkbare toets zou zelfde resultaat moeten opleveren)
  • Het mag niet uitmaken wie de toets nakijkt. Het cijfer zou – ongeacht de beoordelaar – gelijk moeten zijn.



Slide 11 - Tekstslide

Welke toets is betrouwbaarder en waarom?
Een toets met 15 vragen of een toets met 30 vragen?

Slide 12 - Open vraag

De validiteit van de toetsvorm tekst-met-vragen zou verhoogd worden door alleen open vragen te stellen en alle goed onderbouwde antwoorden op die vragen goed te rekenen. Van een betrouwbare meting is dan echter geen sprake meer. Waarom niet?

Slide 13 - Open vraag

Factoren die de meetbetrouwbaarheid bepalen:
  • Afname-omstandigheden voor elke lln. gelijk?
  • Opdrachten eenduidig / voor elke lln. begrijpelijk?
  • Is optimaal eenduidig, welk antwoord juist is?
    Stel jezelf hierbij de volgende vragen:
  • ligt het goede antwoord van te voren vast (‘objectieve toetsen’)?
  • is van te voren optimale overeenstemming bij beoordelaars van open vragen?
  • is het aantal items groot genoeg om toeval te voorkomen?
  • worden er geen items ‘weggegeven’?

Slide 14 - Tekstslide

vergroten betrouwbaarheid
  • bespreek van te voren de (te verwachten) antwoorden.
  • zorg voor een analytisch beoordelingsformulier, bijv. een rubrics model.
  • overleg met collega's, beoordeel samen een paar "producten".

Slide 15 - Tekstslide

Een valide vaardigheidstoets is vaak minder betrouwbaar.
Een betrouwbare vaardigheidstoets is vaak minder valide.
Waarom?

Slide 16 - Open vraag

Lees de volgende opdracht
Je bent met je familie op vakantie geweest in Engeland. Daar heb je een leuke familie ontmoet. Vader, moeder en dochter Jane en zoon Michael. Je bent net thuis aangekomen en je beschikt weer over wifi. Je wilt even laten weten hoe is de reis is verlopen en wat je vanmiddag gaat doen.


Schrijf een mailtje naar Jane of Michael, waarin je vertelt hoe de reis is gegaan en wat je die middag gaat doen.

Slide 17 - Tekstslide

Wat kun je zeggen over de validiteit van deze schrijfopdracht? Beargumenteer je antwoord.
(denk aan "hele" vaardigheid, blz. 28)

Slide 18 - Open vraag

Noem twee manieren waarop je de betrouwbaarheid bij deze opdracht kunt borgen.

Slide 19 - Open vraag

Meer informatie toetsing van de taalvaardigheden

Zie einde van de hoofdstukken 8 t/m 11: toetsing van de taalvaardigheden

Slide 20 - Tekstslide

(overige) problemen bij Toetsen
  • Pedagogisch cijferen - toets als disciplineringsmiddel
  • Halo / Horn effect – goede/slechte indruk meewegen
  • Backwash effect (Prodromou, 1995) – toets bepaalt leren



Slide 21 - Tekstslide

Nog vragen over toetsing?

Slide 22 - Open vraag

Verwerkingsopdracht
Beoordeel de ‘toets’ op Onderwijsonline aan de hand van de begrippen meten en beoordelen; validiteit en betrouwbaarheid.

Volgende week: 
Zelfstandig werken: Bestudeer alle hoofdstukken en stuur vragen naar de docent voor de responsiecollege op 7 januari '21



Slide 23 - Tekstslide