Les 20 januari

Aujourd'hui c'est le 20 janvier
Programme
-LessonUp texte p. 61
- nakijken exercices 4,5,6,7 bij elkaar
-Klaar? dan vocabulaire A leren
-Filmpje les couleurs: opschrijven in schrift
-bingo les couleurs
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen, tekstslide en 1 video.

Onderdelen in deze les

Aujourd'hui c'est le 20 janvier
Programme
-LessonUp texte p. 61
- nakijken exercices 4,5,6,7 bij elkaar
-Klaar? dan vocabulaire A leren
-Filmpje les couleurs: opschrijven in schrift
-bingo les couleurs

Slide 1 - Tekstslide

La nouvelle voisine.
Dit betekent?
A
de nieuwe buurman
B
de nieuwe buurvrouw
C
de grappige buurvrouw
D
de beroemde buurvrouw

Slide 2 - Quizvraag

Stella est dans le jardin betekent
A
Stella is in huis
B
Stella is in de straat
C
Stella is in de tuin
D
Stella is in het bos

Slide 3 - Quizvraag

Elle rencontre son voisin betekent
A
Zij praat met haar buurman
B
zij ontmoet haar buurman
C
zij ziet haar buurman

Slide 4 - Quizvraag

mon père et sa nouvelle femme habitent ici betekent
A
mijn vader en zijn nieuwe vrouw zijn verhuisd
B
mijn vader en zijn nieuwe vrouw wonen hier

Slide 5 - Quizvraag

demi-frères betekent
A
broers
B
kleine broertjes
C
half broertjes

Slide 6 - Quizvraag

je passe un weekend sur deux ici betekent
A
ik ben hier ieder weekend
B
ik ben hier om het weekend

Slide 7 - Quizvraag

la moitié de mes vacances betekent
A
de helft van de vakantie
B
het grootste deel van de vakantie

Slide 8 - Quizvraag

le reste du temps betekent

Slide 9 - Open vraag

tu habites avec ta mère betekent
A
jij hebt een moeder
B
jij ziet je moeder
C
jij woont bij de moeder

Slide 10 - Quizvraag

sa fille betekent
A
zijn zoon
B
zijn vrouw
C
zijn dochter

Slide 11 - Quizvraag

ce n'est pas toujours rigolo betekent
A
het is altijd leuk
B
het is niet altijd leuk
C
het is niet altijd grappig
D
het is altijd grappig

Slide 12 - Quizvraag

on aime regarder des vidéos ensemble
betekent

Slide 13 - Open vraag

c'est presque impossible
A
het is mogelijk
B
het is onmogelijk
C
het is bijna onmogelijk

Slide 14 - Quizvraag

ils font beaucoup de bruit
bruit betekent

Slide 15 - Open vraag

il est comment betekent?

Slide 16 - Open vraag


A
hij is vaak thuis
B
hij is niet vaak thuis
C
hij gaat altijd naar huis
D
hij werkt thuis

Slide 17 - Quizvraag

il travaille beaucoup

Slide 18 - Open vraag

c'est dommage betekent
A
het is leuk
B
het is grappig
C
het is jammer

Slide 19 - Quizvraag

tu rigoles betekent

Slide 20 - Open vraag

Slide 21 - Video