Cap 4 - les 3

¡Bienvenid@s a clase!
'Sano como una manzana' 
capítulo 4
clase 3
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

¡Bienvenid@s a clase!
'Sano como una manzana' 
capítulo 4
clase 3

Slide 1 - Tekstslide

Comer fruta es bueno para la salud

0100

Slide 2 - Poll

¿Qué hicimos / hemos hecho la clase pasada?

Slide 3 - Woordweb

El complemento indirecto is in NL het meewerkend voorwerp
A
falso
B
verdadero

Slide 4 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp in de volgende zin?

"Te mando flores para adornar tu casa "
A
te
B
mando
C
flores
D
tu casa

Slide 5 - Quizvraag

Plan de clase
1. controlamos + corregimos los deberes 12, 13, 14
2. activamos el vocabulario
4. ¿estás enferm@? => frases clave fuente E 
5. ¡a trabajar!

=> Lesdoel: aan het einde van de les kan je .....?

Slide 6 - Tekstslide

Toetsweek 3
Inhoud: afgelopen 3 hoofdstukken Paso Adelante
dus géén leestoets
60 minuten
kans om je cijfer op te halen
geen herstelopdrachten etc

Slide 7 - Tekstslide

Corregimos los deberes
12, 13, 14 

=> están en GC

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

¿Qué palabras te acuerdas de quizlet?
* la salud *

Slide 11 - Woordweb

el hospital
estornudar
la fiebre
la farmacia
Una tienda en que puedes comprar medicinas
Hay que hacerlo en el codo por el virus Corona
Cuando tu temperatura es más alto que treinta y siete grados
El lugar a donde vas cuando estás enfermo.

Slide 12 - Sleepvraag

Slide 13 - Video

timer
0:30
¿Qué partes del cuerpo menciona la chica en el video?

Slide 14 - Woordweb

timer
0:30
¿Qué le duele?

Slide 15 - Woordweb

Doler (o-ue)

Slide 16 - Tekstslide

¿Qué le duele?

A
Le duele la cabeza
B
Le duele la espalda
C
Le duele la rodilla
D
Le duele la garganta

Slide 17 - Quizvraag

¿Qué le duele?
A
Le duele la boca
B
Le duele la garganta
C
Le duele la cabeza
D
Le duelen la garganta

Slide 18 - Quizvraag

Vervoeg het werkwoord DOLER (ue) in onderstaande zin:
A Isabel ___ _________ las muelas
timer
0:30

Slide 19 - Open vraag

Vervoeg het werkwoord DOLER (ue) in onderstaande zin:
A mí __ ______ el estómago
timer
0:30

Slide 20 - Open vraag

Vertaal de volgende zinnen:

Para preguntar
1. Is hij/zij ziek?
2. Wat heeft hij/zij?
3. Donderdag kan de dokter hem bezoeken.
4. Kan ik iets voor hem meebrengen?
5. Ik raad hem/haar aan om gezond te eten

Para contestar
1. Ja, hij/zij voelt zich heel slecht
2. Ja, hij heeft buikpijn maar geen koorts 
gelukkig
3. Dat lijkt hem goed
4. Kun je wat tijdschriften en medicijnen 
voor hem/haar meenemen?
5. Hij/zij gaat uw raad opvolgen
Klaar? Bereid de dialoog van 16c + 17b voor. Doe dit in je schrift.
timer
8:00

Slide 21 - Tekstslide

Para preguntar

1. ¿Está enferm@?
2. ¿Qué le pasa?
3. El jueves el médico le puede visitar / puede visitarle.
4. ¿Le llevo algo?
5. Le aconsejo comer sano
Para contestar

1. Sí, se siente fatal / muy mal
2. Le duele el vientre pero no tiene fiebre
3. Le parece bien
4. ¿Puedes traerle unas revistas y medicamentos?
5. Va a seguir su consejo

Slide 22 - Tekstslide

Wat was volgens jou het lesdoel denk je?

Slide 23 - Woordweb

16 c

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Ahora: leer fuente C + hacer 8, 9, 10, 11a
Je mag kiezen; zelf starten en mij muten,
of samen met mij het begin lezen.
Ik ga zelfstandig aan het werk
Ik doe mee met het samen lezen

Slide 26 - Poll